1. Het kado  

‘Hé Ritzo, ben je nu wéér aan het spijbelen?’ 
Aan het spijbelen? Wéér aan het spijbelen? Hoe komt boer Boerma daar nou bij? Ik ben de braafste jongen van Noordhorn, ik spijbel nooit. 
‘Ik breng Lisse naar huis. Ik had haar meegenomen naar school voor mijn spreekbeurt.’
Boer Boerma leunt op zijn grote hooivork, hij moet lachen.
‘Een kalf hoort niet in de klas, daar komt een hoop rotzooi van.’
‘Daar was Juf Jannie ook bang voor!’
Daarom had ik Lisse voor de klas aan een boom vastgezet en het raam opengedaan, zodat ze mee kon luisteren. Maar Lisse vond het maar niks. Ze loeide hard door mijn spreekbeurt heen en probeerde zich steeds los te trekken. Juf Jannie vond het beter dat ik haar weer naar huis bracht.
‘Geeft niet, ik hield vroeger ook niet van school’, zegt boer Boerma met een knipoog. 
Ik houd juist wél van school, maar dat gelooft hij toch niet. Ik knipoog maar terug.
‘Ik heb wat voor je, wacht maar even.’
Boer Boerma verdwijnt in zijn schuur en komt even later terug met een fiets. Een fonkelende, rode fiets. Kneiter, wat nu? Als kleine jongen was ik bang voor fietsen, ik weigerde om het te leren. En nu ben ik al bijna tien en ben ik te oud.
‘Die mag je hebben. Rob is er nu te groot voor en hij staat er maar.’
Boer Boerma maakt zijn hek open en duwt de fiets voor zich uit. Het stuur draait naar me toe. Het is net of de handvatten zich naar me uitstrekken en de fiets zegt: ’Neem me mee, Ritzo, ik ben voor jou!’
Eigenlijk wil ik schreeuwen: ‘Ik wil jou niet!’, maar ik bedank boer Boerma netjes en pak de fiets aan.
‘Ik  zie dat je er blij mee bent. Veel plezier ermee’, zegt boer Boerma en gaat verder met het keren van het hooi. 

Gek, ik wilde hem helemaal niet, maar als ik Lisse’s touw aan het stuur bind en we samen naar huis lopen wordt de fiets toch een beetje van mij. Mam is bezig op het erf, ze knippert met haar ogen als ze ons ziet. 
‘Wil je mij leren fietsen?’, vraag ik. 
‘Leren? Je moet gewoon zitten en trappen!’, zegt ze.
Is het echt zo makkelijk? Ik doe wat ze zegt. Wat gaat mijn stuur heen en weer, zometeen val ik om. 
‘Trappen! Harder trappen!’, schreeuwt mam. 
En gek, nu blijft mijn stuur recht. Ik fiets zomaar het erf af. Mijn haar staat recht overeind, ik ga kneiterhard. 
‘En nu remmen, remmen!’, schreeuwt mijn moeder. Remmen? Hoe dan? Ik stuur naar de hooiberg en knal met mijn fiets tegen het hooi. Ik kom netjes op mijn rechterbeen terecht. Mijn moeder komt eraan gerend. Ze hijgt.
‘Als er geen hooiberg is, kun je ook naar achter trappen, dan stopt je fiets vanzelf’, zegt ze.
Ik oefen een paar keer op het erf. Dan fiets ik langs het weiland. 
‘Kijk Lisse, nu kan ik net zo hard als jij!’, schreeuw ik.
Lisse kijkt op en geeft een loei. Ik begrijp wat ze bedoelt:
‘Mooi, man!’

Waar zou ik niet helemaal naar toe kunnen fietsen? 
‘Ritzo, nu moet je gauw terug naar school’, roept mijn moeder.
O ja, school, ik kan naar school op de fiets!

‘s Avonds na het eten komen mijn vader en mijn broertjes en zus kijken hoe ik rondjes fiets op het erf. Ik sloof me uit, ik maak flinke vaart en rem dan staand op de trappers zodat ik slip. Daarbij mijn stuur recht houden, dat is de kunst. Ze moeten allemaal lachen als ik precies voor de verse vlaai van Lisse stilsta.  
‘Ritzo, je bent een mazzelaar’, roept mijn zus.
‘Het kon minder!’ roep ik terug. 

Iedere dag fiets ik een rondje. Iedere dag fiets ik sneller en wordt het rondje groter. Iedere dag zie ik nieuwe dingen, andere dingen dan onze boerderij en mijn school.
Ik fiets langs een winkel met trekkers. Ze hebben rode trekkers zoals die van vader, maar ook blauwe en groene. Ik fiets langs de markt waar je koekkruimels kan kopen. Op woensdagmiddag, als ik veel tijd heb, fiets ik langs de zee. Ik stop altijd even om naar de golven te kijken, soms denk ik dat ik het land kan zien dat achter de zee ligt.
Als ik een nog groter rondje maak, zie ik in de verte een heleboel huizen. Ze staan vlak bij elkaar, sommige staan zelfs bovenop elkaar. Van juf Jannie weet ik dat we niet zo ver van de Duitse grens wonen, misschien staan die huizen wel in Duitsland. En nu heb ik een probleem: ik wil daarheen, maar het ik moet voor donker thuis zijn, dat haal ik niet. 
Toch wil ik per se een keer naar de huizen in de verte. Ik moet dus sneller worden, veel sneller. Of iets heel anders verzinnen.

………………………………………………………………………..

(ga naar hoofdstuk 2)