Hoofdstuk 2 Spijter en Hendrik

Vandaag is mijn rondje erg groot, mijn benen zijn moe. In een park met een bankje zet ik mijn fiets neer en schop mijn klompen uit. Op het bankje zit al een man. Hij ziet er heel anders uit dan mijn vader. De man heeft gaten in zijn broek. Hij heeft grijs krulhaar, een lange baard en een grote vuilniszak op schoot. 
‘Wat heb jij een mooie fiets,’ zegt de man, ‘mag ik daar eens op?’
‘Dat mag,’ zeg ik, ‘als je een rondje fietst, kom je vanzelf weer terug.’
Hij geeft de vuilniszak aan mij en fietst weg. Ik wacht heel lang. De man komt maar niet terug. Ik krijg het koud, ik krijg honger. Ik kijk in de vuilniszak, misschien zit er wel eten in. Maar de zak zit vol oude rommel: lappen, touwen en een paar stokken. Net als ik naar huis wil lopen, komt de man aangefietst.
‘Sorry, mijn rondje was heel groot’, zegt hij.
‘Ik dacht dat je niet meer kwam’, zeg ik.
‘Dat dacht ik ook. Maar toen kwam ik toch.’ 
Hij geeft mijn fiets weer terug.
‘Ik was bijna begonnen aan het allergrootste rondje.’ 
‘Wat is dat dan?’ vraag ik.
‘Een rondje rond de wereld.’
‘Kneiter!’
‘Wie is dat, Kneiter?’ zegt de man.
‘Dat is niemand, ik zeg kneiter als ik iets nieuws hoor’, zeg ik.
‘Grappig. Het rijmt op Spijter. Zo heet ik, maar het is eigenlijk geen goede naam voor mij’, zegt Spijter. 
‘Waarom niet?’ vraag ik.
‘Omdat ik nooit ergens spijt van heb.’  
‘Een rondje rond de wereld, dat is wel heel groot’, zeg ik.
‘Daar ben je inderdaad wel even mee bezig.’
‘Dat zou ik ook wel willen, zo’n groot rondje. Jammer dat ik nog maar een kind ben.’
‘Ik ken twee kinderen die naar India zijn gefietst en weer terug, een broer en zus. De broer was ongeveer zo oud als jij, zijn zus zelfs jonger.’
Ik ben er even stil van.
‘Ik moet voor donker thuis zijn, mijn rondjes blijven klein’, zeg ik en schop het steentje dat voor mijn voeten ligt keihard weg.
‘Dat probleem heb ik niet’, zegt Spijter, ‘Ik ben altijd thuis voor het donker wordt.’
´Dan zijn jouw rondjes toch ook klein?’ 
‘Nee, die zijn net zo groot als ik wil’, zegt Spijter. 
Hij tikt op de vuilniszak. ‘Ik heb mijn huis altijd bij me.’
‘Zit daar jouw huis in?’
‘Ik heb een tent, ik ben zo vrij als een vogel’, zegt Spijter.
Dat klinkt zo mooi, ik zeg het na: ‘Zo vrij als een vogel.’
‘Ja, zo vrij als een vogel.’
‘Dan ben je zeker al heel ver geweest. Net als juf Janny, die reist overal naartoe.’
‘Ik heb aardig wat van de wereld gezien’, zegt Spijter.
Hij pakt de vuilniszak op, zwaait hem over zijn schouder en steekt zijn hand naar me op. Dan draait hij zich om en loopt naar de uitgang van het park.
‘Heb jij echt nooit ergens spijt van?’ roep ik hem na.
‘Niet van de dingen die ik heb gedaan. Alleen van de dingen die ik niet heb gedaan.’ 

Het is bijna donker als ik thuis kom. Mijn moeder staat in de deuropening op me te wachten.
‘Weet je aan wie ik vandaag moest denken? Aan de opa van mijn moeder, jouw over-over-opa’, zegt ze.
‘Wat is daar mee?’, vraag ik. 
Ik ben moe, ik schop mijn klompen uit en wil naar de keuken om water te drinken.
‘Jouw over-over-opa Hendrik was ook gek op fietsen. Je moet eens kijken in die hutkoffer op zolder, die was van hem. Misschien zit er iets in dat je kunt gebruiken.’ 
Dan gaan we eten en vergeet ik het, maar midden in de nacht word ik wakker en denk ik er weer aan. Ik sluip de trap op naar zolder en vind de hutkoffer achter een paar dozen. Als ik het open maak, zit er alleen een klein schriftje en een doosje in. Ik neem ze mee naar mijn kamer, kruip mijn bed weer in en knip het bedlampje aan. Ik sla het schriftje open. Met dikke, zwierige letters staat bovenaan de eerste bladzijde: Hendrik’s Reisjournaal. Daaronder staat met kleinere letters: ‘2 april 1907’. Ik zak onderuit en begin te lezen.

……………………………………………

(ga naar hoofdstuk 3)