Hoofdstuk 3 Het grootste rondje

‘Ritzo! Waar zit je met je gedachten? Ik vraag nu al voor de derde keer wat de hoofdstad is van Oostenrijk!’
Juf Janny tikt met haar pen drie keer hard op mijn tafeltje. Ik wou dat ze me vandaag met rust liet, ik heb er de halve nacht over gedaan om de verhalen van over-over-opa Hendrik te lezen. Fietsverhalen, want mam had gelijk: Hendrik was gek op fietsen, net als ik. Hij heeft een tocht door Duitsland gemaakt en een tocht door Frankrijk, hij heeft in de bergen gefietst in Zwitserland. Hij was gek op fietsen én gek op China, want daar schrijft hij ook de hele tijd over. Dat hij daar zo graag naar toe wil om te fietsen. Hij leert zelfs Chinees! Het laatste verhaal gaat over een fietstocht naar Hongarije, maar hij schrijft bijna alleen over hoe graag hij naar China wil. De allerlaatste bladzijde is geschreven op 23 juni 1924. Over-over-opa Hendrik schreef: ‘Ik heb een aardig meisje leren kennen. De ogen van Geertrui zijn zo blauw als het meer van Genève, ik wil daar de hele dag in kijken. Ik hoop dat ze begrijpt dat ik, vóór ik haar huw, nog een laatste grote fietsreis maak. Bestemming China.’ 
Helemaal achterin het schrift zit een piepklein wereldkaartje opgevouwen. De landen tussen Nederland en China zijn donker gemaakt. Vast de route die Hendrik wilde fietsen.

‘s Middags fiets ik naar oma. Over-over-opa Hendrik is haar opa, misschien weet zij meer over de reis naar China. Maar nee, oma heeft geen idee waarom hij zo graag naar China wilde. Waarschijnlijk is hij er nooit aan toegekomen, want mijn oma’s moeder is geboren in 1925, minder dan een jaar nadat Hendrik voor het laatst in zijn journaal schreef. Ik laat haar het doosje uit de hutkoffer zien, het zit vol met touwtjes waar kleine stukjes rode stof aan vast zijn gemaakt. Oma  pakt er eentje uit en houdt het vlak bij haar ogen.
‘Ik denk dat dit reisvlaggetjes zijn. Kijk maar, de initialen van mijn opa staan erop. ‘
Ze wijst op de piepkleine letters ‘HT’ die langs de zijkant van de stof geborduurd zijn.
‘Die lieten mensen vroeger achter op plekken die een bijzondere betekenis voor ze hadden. Ze verstopten ze of hingen ze op in een hoge boom.´ 
Voor ik naar huis ga zoekt oma in het kastje naast de deur. Ze haalt er een oud, vergeeld fotootje uit.
‘De enige foto die ik van mijn opa heb, ik moet het toch eens in een lijstje doen’, zegt ze en draait het plaatje om. Een man met krullend haar en een baard kijkt me aan, hij heeft vriendelijke ogen. Hij lijkt een beetje op Spijter, maar dan jonger.

Ik denk vaak aan Spijter die zo vrij is als een vogel en die bijna aan het grootste rondje was begonnen. Ik denk ook vaak aan de broer en zus die naar India gingen. Als kinderen naar India kunnen fietsen, dan kunnen ze ook wel naar China fietsen. Dan kunnen ze misschien ook wel het grootste rondje fietsen.  En nu krijg ik het maar niet uit mijn hoofd. Eerst was het gewoon een gaaf verhaal dat niets met mijzelf te maken had. Maar als er kinderen zijn die zulke lange reizen kunnen maken, dan kan ik, Ritzo, dit dus ook! 
Over-over-opa Hendrik wilde heel graag naar China en heeft dat nooit gedaan. Als ik nou eens een rondje via China fiets? Als ik Hendrik’s vlaggetjes achterlaat in de landen op zijn routekaartje, is het net of hij de reis tóch heeft gemaakt. Dit is zo spannend, dat ik er niet te lang aan durf te denken. Maar ik kan er niets aan doen, ik denk er steeds vaker aan en ook steeds langer. 

Op school vraag ik aan Juf Jannie of ze nog eens over de wereld wil vertellen. Dat zijn mijn lievelingslessen. Juf Janny heeft zoveel reizen gemaakt, ze heeft zulke mooie foto’s. Ze vindt het een goed idee. Maar vanmiddag pakt ze het anders aan dan anders. Ze tilt de grote globe van de kast en zet hem op de tafel voor de klas. Dan pakt ze de wereldkaart en hangt hem voor het bord.
´We gaan een spel doen’, zegt Juf Jannie, ‘Ik noem een land, ik laat het zien op de grote kaart. Jullie zoeken het land op de globe.’ 
Er gaat een gejuich op. Alle kinderen in mijn klas houden van spelletjes. 
‘Jullie krijgen allemaal een beurt. Maar Ritzo begint.’
Ik sta op en loop naar de tafel met de globe. Juf Janny pakt de grote aanwijsstok en beweegt er langzaam mee over de wereldkaart. Eerst gaat ze naar links, maar dan bedenkt ze zich. De stok gaat naar rechts, juf Janny stopt bij het enorme oranje land aan de rechterkant.
‘Waarom moet je zo lachen, Ritzo?’ vraagt ze en draait zich om.
‘Ik wist gewoon welk land u zou kiezen’, zeg ik.
‘O ja? Nou, zoek jij China dan maar eens op de globe.’ 
Eerst zoek ik Nederland op, dan draai ik de globe tot ik bij China ben. Grappig, op de globe is het veel verder dan op de kaart. Misschien duurt een rondje via China wel wat langer dan de zomervakantie. Ik steek mijn vinger op. 
‘Hoe lang duurt het om naar China te fietsen?’ vraag ik.

Direct na school ga ik naar het land om mijn vader te helpen. Het gras is vorige week gemaaid, vandaag moeten we het met de trekker ophalen en naar de boerderij brengen. Als ik aankom zitten pa en mijn broers net uit te rusten onder een doek, vastgeprikt op vier stokken.
‘Slim!’ zeg ik en wijs op het doek.
‘Ja, het is zo warm vandaag. De tent beschermt ons tegen de zon.’ 
Mijn vader geeft mij een glas limonade uit de grote thermoskan. Ik ga nog even op mijn rug liggen in het gras. Boven mijn hoofd wappert het doek, het maakt een vrolijk geluid. Als het zou regenen lig ik hier lekker droog.
‘Wakker worden, slaapkop! We gaan weer aan het werk.’
Ik help met het opvouwen van het doek. De tent leek eerst zo groot, maar nu is het niet groter dan een pakje boterhammen. Spijter heeft ook zo’n tent, hij heeft zijn huis altijd bij zich. Spijter is altijd thuis voor het donker is. 

‘s Avonds, als we klaar zijn eten, spring ik nog even op mijn fiets. Het is al laat, ik kan nog maar een klein eindje. Als ik bij het eind van de weg ben, moet ik alweer terug. In de verte loopt een man. Hij draagt iets over zijn schouder. Ik fiets zo hard als ik kan om hem in te halen.
‘Spijter!’ 
‘Ritzo!’
We moeten allebei lachen. Ik stap af en ga naast hem lopen. ‘Waar ga je vanavond slapen, Spijter?’
Spijter wijst voor ons uit: ‘Daar achter die beukenbomen is een mooi plekje, daar kan niemand mij zien.’
‘En wat ga je eten?’
‘Misschien bak ik straks een eitje. Ik heb laatst een heel handig brandertje gevonden.’
Hij grabbelt in zijn vuilniszak en haalt er een toestelletje uit. Ik knik: ‘Die ken ik. Bij ons in de schuur staat precies zo een.’
‘Het is bijna donker, Ritzo, je moet terug naar huis’,  zegt Spijter. 
Ik doe of ik het niet hoor en vertel Spijter over Hendrik die zo graag naar China wilde.
‘Hij is niet gegaan’, zegt Spijter.
‘Hoe weet je dat?’, vraag ik.
‘Zo gaan die dingen’, zegt Spijter, ‘grote mensen wachten vaak te lang met hun dromen waarmaken. Hij is niet gegaan en toen hij spijt kreeg was het te laat.’ 
‘Ik wil niet terug naar huis, Spijter, ik heb genoeg van de kleine rondjes, ik wil ook zo vrij als een vogel zijn’, zeg ik. 
Maar Spijter schudt zijn hoofd. 
‘Grote rondjes moet je voorbereiden, Ritzo’, zegt hij, ‘denk daar maar eerst goed over na.’
Voorbereiden, dat klinkt zo serieus. ‘Zometeen ga je me nog vertellen dat ik het aan pa en mam moet vertellen.’
‘Dat moet je ook.´
‘Die laten me nooit gaan.’
‘Jawel, dat komt goed,’ zegt Spijter, ´daar ga ik je mee helpen.’

‘Nog drie dagen en dan begint de zomervakantie’, zegt pa aan tafel, ‘Hebben jullie er zin in?’
We juichen allemaal. Natuurlijk hebben we zin in de zomervakantie. Wie kan daar nou geen zin in hebben?
Drie dagen. Genoeg tijd om boterhammen te smeren. Genoeg tijd om een eigen doek te vinden en stokken. Genoeg tijd om mijn spaarpot om te keren. De route naar China ligt vast, ik volg de kaart van over-over-opa Hendrik. Daarna fiets ik door om een grootste rondje maken, een rondje om de wereld. Gek eigenlijk, als je een rondje fietst ben je met elke trap verder van huis, maar ook met elke trap weer dichter bij huis.  
Nog drie dagen. Over drie dagen begin ik aan een grootste rondje, een rondje via China.

…………………………………………………..

(ga naar hoofdstuk 4)