Hoofdstuk 4 Het vertrek

‘Wat doe je toch allemaal?’ vraagt mam.
‘Ik verzamel spullen voor mijn rondje’, zeg ik en maak de derde tas vast aan het frame. Ik heb al een tas aan de ene kant van de bagagedrager en een tas aan de andere kant. En nóg passen niet al mijn spullen erin.
‘Welk rondje?’
‘Een rondje rond de wereld. Via China. Wist je dat over-over-opa Hendrik naar China wilde fietsen? Hij heeft het nooit gedaan. Ik heb zijn routekaart. En zijn reisvlaggetjes.’
In de linkertas is nog een klein gaatje, daar past het doosje precies in.
‘Morgen ga ik. Of overmorgen, als ik niet alles op tijd af heb.’
Mam lacht: ‘Zo zo, dat zijn grootse plannen, Ritzo. Als je maar elke avond voor het donker thuis bent.’
‘Ik ben altijd voor donker thuis, dat is niet moeilijk. ‘ 
Ik wijs op de vier stokken in de rechtertas: ‘Dit wordt mijn thuis. Mijn thuis is steeds bij mij. Ik ben dus altijd voor donker thuis.’
Mam zegt: ‘Je bent een slimme zoon. We zullen je uitzwaaien als je vertrekt, hoor. Geef ons maar een seintje en …uh….’
‘Wat?’
‘Vergeet ons niet af en toe een kaartje te sturen!’ 
Ze lacht als ze doorloopt naar de stal. Zou ze wel doorhebben dat ik bloedserieus ben?

Ik loop mijn spullenlijst langs. Alles wat ik mee wil nemen staat in mijn blauwe schrift. Tandenborstel, bandenplak, slaapzak, dikke sokken, zwembroek. Bij alle spullen die ik heb ingepakt zet ik een streepje. Het brandertje dat al zo lang ongebruikt in de grote schuur staat mag ik vast wel meenemen en het rode pannetje zal ook niemand missen. Havermout voor mijn ontbijt, twee pakken spaghetti voor het avondeten, twee appels, het dikke voorleesboek zodat ik elke avond een verhaaltje kan lezen voor ik ga slapen. Ik heb lang gedacht over mijn schoenen. Moet ik nou mijn school-schoenen aantrekken of de klompen waar ik thuis op loop? Ik heb ze om beurten aangetrokken en een stukje gefietst. Toen was het niet moeilijk meer, van fietsen op klompen word ik blijer. Ik ben ook blij dat oma ons bij haar laatste verjaardag zoveel centjes had gegeven. Dat doet oma elk jaar, maar dit keer was het extra veel. 
‘Geef het uit aan iets bijzonders’, had oma gezegd. 
Ik denk wel dat mijn rondje bijzonder genoeg is. Ik stop het geld in drie verschillende zakjes en stop in elke fietstas één zakje. Zo ben ik niet alles kwijt als er iets mis gaat met een fietstas. Heb ik nou overal aan gedacht? Ik doe mijn ogen dicht en stel me voor hoe ik morgen aan mijn rondje begin. Ik moet drinken, eten, slapen, weten hoe ik moet fietsen, ik moet mijn band kunnen plakken. Ik zie de kaart van de wereld voor me die in de klas hangt. Ik fiets in de richting waar de zon opkomt, mijn eerste nieuwe land wordt Duitsland. Bij Zevenaar ga ik de grens over. De grens over!
Ik hol naar binnen. ‘Mam, waar is mijn paspoort?´ 
Mijn moeder is bezig met het schilderen van de deurtjes in de keuken.
‘Ik denk in de grote la in de huiskamer’, zegt ze, haar stem klinkt afwezig. 
Pas als ik het eruit heb gegrist en weer naar buiten hol, roept ze me na: ‘Waar heb je dat voor nodig?’ 
Zie je, ze is al vergeten wat ik van plan ben.

Maar daar vergis ik me toch in want ‘s avonds aan tafel vraagt ze: ‘En? Heb je alles? Vertrek je morgen?’ 
Als ik knik vertelt ze aan de rest van de familie over mijn plan. Misschien gelooft mam niet dat ik echt ga, ze knipoogt steeds. Pa kijkt een beetje bezorgd, maar na een tijdje leunt hij weer achterover tegen zijn stoel. Ze beloven allemaal dat ze me uit zullen zwaaien, morgenochtend om acht uur.

En dat doen ze ook. Ze staan allemaal bij het hek, mijn vader en mijn moeder, mijn broers en mijn zus. Mijn moeder stopt nog snel een banaan in mijn tas voor ze me knuffelt. Zelfs Lisse merkt dat er iets bijzonders is. Ze is helemaal naar voren in de wei gelopen en loeit vijf keer. Ik loop naar haar toe en kroel even op haar kop. Dan is het tijd om te gaan.
‘En vóór het donker thuis, hè?’ is het laatste dat ik mijn moeder hoor zeggen. Ik knik en zet af. Tuurlijk, mam, ik ben vóór het donker thuis en na het donker trouwens ook. Daar ga ik, een paar trappen en ik ben bij het begin van het erf. Als ik de bocht om ben kom ik op de weg langs de vaart, daar draai ik me voor de laatste keer om om te zwaaien. Achter mijn vader staat opeens iemand die er net nog niet was. Grijze krullen die een beetje opwaaien in de wind. Spijter! Spijter staat bij mijn familie, wat fijn is dat. Ik zwaai naar hem, ik zwaai naar mijn familie voor de laatste keer. Dan houd ik mijn ogen op de weg vóór me. Er zijn heel veel kilometers te gaan. Duizenden keren, nee, miljoenen keren moeten mijn klompen de trappers naar beneden duwen. 
De zon schijnt op mijn stuur dat ik gisteren nog heb gepoetst. Opeens wordt mijn hart heel groot, ik hoor het kloppen of het een drumstel is. Het allergrootste rondje, duurt dat niet veel en veel te lang? Ik zie de wereldkaart weer voor me met de eindeloze weg door al die landen waar ik doorheen moet. Landen waar ik de mensen niet versta, waar ik het eten misschien niet lust, waar gevaarlijke beesten zijn. Ik heb geen idee wat me te wachten staat, echt geen flauw idee. En ik heb ook geen idee of ik het wel kan. Mijn hart groeit en groeit, zometeen knalt het nog uit mijn lijf.
Ik denk aan Hendrik die zo graag naar China wilde en niet is gegaan.
Ik trap door, het drummen wordt iets zachter. Ik ben nog steeds in een bekende omgeving, deze weg heb ik al honderd keer gefietst. Als ik verder ga kom ik op wegen die ik al vijftig keer heb gefietst, en dan veertig keer, dertig keer. Het duurt nog een tijd voor ik ergens kom waar ik nog nooit eerder was. Trapje voor trapje, ik maak dit grootste rondje trapje voor trapje. En gek, als ik dit maar tegen mezelf zeg, maakt het helemaal niet uit hoe groot het rondje is. Alle rondjes zijn eigenlijk hetzelfde, of ze nu groot zijn of klein, ze beginnen allemaal met één trapje. Mijn hart wordt weer kleiner. Het drummen houdt op, ik ben weer gewoon. 

Ik fiets langs mijn school die nu donker en verlaten is. Juf Jannie heeft geen idee wat ik deze zomervakantie doe. Als mijn rondje af is vertel ik haar over over-over-opa Hendrik en over de vlaggetjes en over alles wat ik heb meegemaakt. Staand op de trappers maak ik een paar slagen om nóg meer vaart te maken.

…………………………………………………