Inschattingsfoutjes

‘Kun jij morgenochtend kleuters rondleiden in de bieb?’ 
Het is laat, ik zie het bericht net voor ik mijn telefoon aan het infuus leg als voorbereiding op mijn nachtrust. Zonder na te denken typ ik ‘ja’ en verzend mijn antwoord. 
De leukste gebeurtenissen in mijn leven volgden op een gedachteloze ‘ja’. Was de relatie ook maar omkeerbaar: dat een directe ‘ja’ een garántie is voor een leuke tijd. Helaas: zo simpel is het leven nu ook weer niet.
Ik leg mijn telefoon weg. Kleuters lekker maken voor de bieb? Een zware verantwoordelijkheid, zo voel ik opeens. Wat weet ik van kleuters? Ze zijn een stuk jonger dan mijn oppasjongetjes, maar twee keer zo oud als kleinzoon, dus ze weten onwijs veel. Ze zitten op een Montessorischool, dus ze kunnen vast  al lezen. En kinderen moet je sowieso nooit onderschatten. Gerustgesteld ga ik slapen.

‘s Nachts droom ik over de McDonalds. Het is zo’n ouderwetse, er is nog niks digitaal. Ik sta bij de counter en ben aan de beurt, maar ik weet niet meer wat ik moet bestellen. Ik denk en ik denk, maar er komt niks en ik raak in paniek. De McDonalds bediende is enorm lang en probeert me gerust te stellen: ‘Geeft niks, meisje. Ik verzin wel wat.’ Hij draait een rondje om zijn as en duwt een hot apple pie in mijn handen, zo groot en zwaar dat ik hem niet houd. Dan maakt levensgezel me wakker met het verzoek op te houden hem te trappen. Gelukkig maar want zo’n enorme hot apple pie over je heen is geen pretje. 

De juf van de kleuterklas geeft me haar pupillen mee in groepjes van vijf. De mini’s uit het eerste groepje lopen als eendenkuikens achter me aan over de drukke gang, ze stappen keurig over de middenbouwers heen die op de grond werkjes doen en houden de klapdeur voor elkaar open. Dit wordt een makkie! 
In de bieb neem ik plaats in de grote gele voorleesstoel en zeg tegen de kleuters dat ze op de grond mogen zitten. Verwachtingsvol kijken ze me aan. Of ik Sinterklaas ben. Een geweldig gevoel, ik ga er laag en bedachtzaam van praten en zit met een kaarsrechte rug. 
Op mijn vraag wat je in de bieb kunt doen geven de kleuters vlot antwoord en ze kunnen me ook vertellen waarom je geen boeken achterover mag drukken als je ze uit hebt. Zie je, slimme kinders. Hoogste tijd voor gedegen uitleg. Ik ben halverwege een uiteenzetting over categorieën en sorteren op achternaam van de schrijver als de stemming helemaal omslaat. Het aandachtige groepje verandert in een kluwen ongeregeld. Twee jongetjes zijn wild aan het stoeien. Twee meisjes tellen elkaars muggenbulten. Het derde meisje zegt: ‘En nu wil ik terug naar mijn eigen juf.’
Haastig rond ik mijn verhaal af: ‘Zo, nu weten jullie hoe de bieb werkt en nu breng ik jullie weer naar de klas.’
De jongetjes springen als kikkers naar de klapdeur. Als de meisjes dat zien laten ze zich onmiddellijk op de grond vallen en springen mee.  Het opdrijven van amfibieën bevalt me nog beter dan het aanvoeren van kuikens. 
‘Kwaken, jongetjes en meisjes’, zeg ik en doe het voor.
Maar al met al: dit kan beter. Koortsachtig denk ik na hoe ik hoe ik het met het tweede groepje ga aanpakken. Ik geef ze een opdracht! Ze mogen allemaal een boek pakken en dan gaan we kijken wat er anders is aan een A-boek dan een B-boek. 

‘Hoe was je dag?’, vraagt levensgezel.
Hij gaat er eens goed voor zitten en verwacht een verhaal. Het haalt het niet bij de gele voorleesstoel, maar toch leuk.
‘Kleuters’, zeg ik, ‘in groepjes van vijf.’ 
´Hingen ze aan je been?’
Ik herinner me het weer. Dertig jaar geleden was levensgezel voor de eerste keer overblijfpapa. Argeloos kwam hij de klas binnen, zich verheugend op het voorlezen aan de  aandachtige kleuters die tijdens het luisteren hun schattige boterhammetjes op zouden peuzelen. Wist hij veel dat hij een kooi zou binnenstappen. Een kooi gevuld met twintig hyenaatjes. Niks boterhammetjes. Beenhangen, alle twintig tegelijkertijd. 
‘Dat niet’, zeg ik, ‘maar vandaag leerde ik wel dat één boek pakken een onmogelijke opdracht is voor een kleuter.’

‘s Avonds is het opeens halloween. Ik had wel her en der een pompoen gezien, maar dacht dat ik nog een paar weken had om de bevoorrading in orde te maken. Ik zoek in de kelder en alle keukenlaatjes, maar ik kan nog geen kauwgompje vinden. Dit jaar geen kaars in de tuin.

‘Hebben jullie het wél gevierd?’, vraag ik de volgende dag aan mijn oppasjongetjes. Nee, dat hadden ze niet.  Eerst klinkt er spijt in hun stem, maar dan krijgen ze een idee. Ze verdwijnen naar boven en komen even later terug, de een in een gruffalopak, de ander met een pestmasker op. Ze willen alsnog de deuren langs.
‘Briljant plan, jongens, maar halloween is voorbij. Het snoep is gisteravond uitgedeeld’, probeer ik ze een teleurstelling te besparen. Ze geloven me niet.  Daar gaan ze met zijn tweeën, ze beginnen een eindje verderop in de straat. Binnen twintig minuten zijn ze terug, ieder met bolle, malende wangen en een plastic zak vol repen, plakken en brokken. Als ik teveel zeur over snoepen voor het eten trekken ze hun onzichtbaarheidsmantels aan. Ze toveren zichzelf pas terug als de zakken halfleeg zijn. 

Dromen zijn gebaseerd op gebeurtenissen van overdag, maar waarom ik vannacht nou over de Mac droomde kan ik niet bedenken. Ik kom er al in jaren niet meer. Ik heb er niks op tegen, maar ook niks te zoeken. Lang geleden, toen levensgezel en ik nog met zijn tweeën waren, bezochten we regelmatig Parijs. Vlak voordat we weer naar huis gingen, reden we langs de Mac op Gare du Nord. Met onze laatste francs laadden we de hele achterbank vol hamburgers en frietjes. Daarmee moesten we het minstens tot de Nederlandse grens redden. Maar het was altijd dezelfde chanson: lang voor de grens met België was de proviand op. Maar dat is lang geleden en mijn droom is er niet mee verklaard. Ik sluit mijn ogen even om de herinnering terug te halen. Was die Mac bediende nou erg groot, of was ik erg klein?

Gewoontes

‘Mevrouw, wilt u een pakje Marlborough Red voor me kopen?’
Het stukje stoep voor de gemakswinkel is afgeladen met middelbare scholieren. Een zee aan geluid, gedoe, naar binnen gerichte energie. Ze zijn met elkaar bezig, maar één jongen, blond piekhaar, glimmende puberhuid, kijkt naar mij. Hij steekt zijn hand naar me uit, er ligt een tientje in. Net op tijd slik ik  ‘Weet je wel hoeveel borrels je kunt drinken voor dat geld?’ in, pak het biljet en loop naar binnen. De eigenaar kent me goed, hier verstuur ik mijn boeken, hij weet dat ik niet rook. 
‘Ik verdien aan de slechte gewoontes van jonge mensen, eigenlijk baal ik ervan´, zegt hij en geeft me een pakje met foto’s van zwarte zweren op de lijkwitte huid van een onherkenbaar lichaamsdeel.
Als ik thuiskom verwissel ik mijn sketchers voor stokoude sloffen. Roken doe ik al lang niet meer, maar ongezonde gewoontes heb ik nog zat. Zo ben ik ooit op deze sloffen begonnen met schaatsen en nu zou ik niet meer weten hoe ik op dit schoeisel mijn benen op moet tillen. Ik probeer het wel eens, maar de voet zuigt zich vast aan de vloer en glijdt schuin naar voren. Mijn parket glimt als de top van de Mount Everest op een wolkeloze dag, dat wél, maar steeds dat pootje over naar de keuken, daar word ik doodmoe van. 

Mensen zijn nu eenmaal gewoontedieren, vaste gebruiken zijn geruststellend, geven houvast door de structuur. Ook (of misschien juist) als onze omstandigheden drastisch veranderen, bijvoorbeeld omdat we op vakantie zijn, zien we kans heel snel nieuwe gewoontes in te voeren. We willen met vakantie om eens iets anders te zien, te doen en te beleven, maar als je niet oplet koop je elke dag croissantjes bij datzelfde bakkertje of speel je elke dag een potje schaak vóór het ontbijt.
Kleinzoon leerde mij dat het ontwikkelen van gewoontes al heel vroeg begint. Ik houd er rekening mee als ik iets nieuws met hem onderneem. Voor ik het weet heeft hij het tot een ritueel verheven en moet het de volgende keer wéér. En er gaat nooit iets af, er komt alleen maar bij. Het totale gewoontepakket na zijn middagslaapje neemt nu al tweeënveertig minuten in beslag en dan heb ik hem nog niet eens helemaal aangekleed.
Het begint ermee dat kleinzoon zelf het luikje van zijn bedje open wil ritsen (een helse klus door het kleine lipje van de rits die nu eenmaal gemaakt is voor bediening aan de buitenkant), zelf naar buiten wil kruipen in zijn nauwsluitende trappelzak die hem de bewegingsvrijheid geeft van een zeemeermin en vervolgens daarin het grote bed wil opklimmen. Als dat gelukt is moeten we allebei onder de dekens en moeten alle voorleesboeken van mijn nachtkastje doorgenomen worden. Soms wil hij ze allemaal voorgelezen hebben, op andere dagen krijg ík niet alleen een boek, maar geeft hij zichzelf er ook een. Dan lezen we beide in stilte tot we het uit hebben waarna kleinzoon ons beiden van een nieuwevoorziet tot de stapel op is. Als het laatste boek is dichtgeklapt kunnen we aan het facultatieve deel van de middag beginnen.
Vooruitdenken probeer ik zoveel mogelijk te vermijden (een goede gewoonte), maar nu kleinzoon sinds twee weken een broertje heeft probeer ik wel eens te bedenken hoe die over een tijdje in het programma gaat passen. 

‘Wat is er nou moeilijk aan om dingen direct na gebruik terug te zetten waar je ze vandaan hebt gehaald?’, vraagt levensgezel.
Hijzelf heeft deze uitstekende gewoonte al sinds de wieg in zijn arsenaal. Ik, na dik veertig jaar aan zijn zijde, nog steeds niet. Ik zie de voordelen er echt van in, maar ik krijg deze niet geautomatiseerd.  Lang dacht ik: misschien houd ik stiekem niet van orde, saboteer ik onbewust de mogelijkheid alles moeiteloos terug te vinden. Ik zég wel dat ik die vaste plekken wil, maar wie weet zit er een kleine raddraaier van binnen die denkt: ’Saai!’ en mijn hand naar nieuwe spullen uitstrekt om bij te zetten. Het zou mijn gedrag verklaren maar sinds kort weet ik: dit is toch de oorzaak niet. Ik ben een uitstaller en het is juist een behoefte aan orde die maakt dat ik mijn spullen niet opruim. Ik wil ze zien, ik kan ze immers elk moment nodig hebben en dan kan ik er gemakkelijk bij. Dat is handig als je aan het koken bent, je opmaakt voor een feest of aan een werkje knutselt. 
‘Je bent met een marktkoopvrouw getrouwd’, antwoord ik levensgezel, ’Ze wist niet dat ze het was en koos een ander beroep. Maar als ze het over kon doen, verkocht ze naaigerei aan wandelende clientèle en trok ze van stad naar stad.’
Ok, ik geef toe, dit is grootspraak. Een van mijn slechte gewoontes.

Knieën

‘Kijk!´, zegt mijn oppasjongetje trots.
Eén beentje tilt hij op, zodat ik de verse wond op zijn knie van nog dichterbij kan bekijken. Hij heeft de pleister er speciaal voor afgetrokken.
‘Groot!’, zeg ik, ‘diep!’
Als beloning voor mijn complimenten draagt hij de drassige pleister aan mij over. Ik draag hem in één hand zodat ik andere vrij houd voor de krijtsteen die hij net heeft gevonden.  
Het wil wat met die kinderknietjes. Kleinzoon’s exemplaren zijn ook altijd bedekt met schaafjes, poeltjes, roofjes. Het was ook het seizoen, nu met de aankomende herfst zijn knietjes vaker bedekt met broek en komen de opgevangen vallen minder hard aan. 
Hoewel, ik liep vroeger zelf in álle seizoenen rond met een beurse knie. Dat deed ik zelf, ik beukte appels op mijn schijven zodat het vruchtvlees stuk ging en ik door een listige snee met mijn ondertanden een hele teug appelsap kon opslurpen. Een vernuftige techniek die ik aan talloze vriendjes en vriendinnetjes heb gedemonstreerd. Ik was er trots op. Tot mijn ontsteltenis toonde geen van hen oprechte belangstelling. Ze vonden mijn gewoonte licht eigenaardig en niemand nam het over. Ik deed het kniebeuken juist vaak, want ik was appelverslaafd. Op mijn hoogtijdagen at ik er zes per dag. 


De knieën van de junior kapster die mijn haar probeert te verven zijn rond en ongeschonden. Ze zijn op mijn ooghoogte, de kapster is erg lang. Niet handig met haar beroep. Ze kan me een beetje opkrikken maar niet zo ver als arbotechnisch eigenlijk zou moeten. Dat verklaart waarom ze een uur later paniekerig tegen haar ervaren collega fluistert: ‘het heeft niet gepakt.’
Dit had een waarschuwing moeten zijn, maar ik ben een ster in het negeren daarvan. En ik had al beloofd dat ze me mocht knippen. Juniors moeten het ook leren tenslotte. Dapper gaat ze aan de slag. Steeds diep door die arme knieën, mij zeker vier keer verzekerend dat ‘ze er iets moois van gaat maken.’
Haartje voor haartje pakt ze dit project aan. Pas na een uur durft ze te stoppen en verklaart ze haar creatie ‘af’.
Ik doe mijn ogen open. Het is nog korter dan ik vreesde. En asymmetrisch. Er steken eenzame plukken uit die er niet horen. De twee seniors laten hun eigen klanten in de steek en komen erbij staan. De een legt uit hoe de 2 weken garantie werkt. De ander biedt nu direct reparatiewerkzaamheden aan. Maar ik heb er genoeg van en vlucht naar huis om mijn verdriet te verdrinken. 
In de dagen daarna krijg ik complimenten over het accepteren van mijn grijsheid en hoe handig het is als je elke lengte kan hebben. Het helpt. Rondlopen met kleinzoon in zijn wijk Blijdorp helpt óók. Om de boom hangt hetzelfde A4’tje met het verzoek contact op te nemen als we Fluitje hebben gezien. Fluitje is een parkiet die kans heeft gezien het warme mensenhuis te verruilen voor de vrijheid buiten. Dat hoop ik althans, het kan natuurlijk ook dat de onbarmhartige kaken van zo’n mauwende schobbejak een einde hebben gemaakt aan zijn vogelleven. Dat scenario schets ik natuurlijk niet aan kleinzoon, die een klein stukje voor me uitstapt en links, rechts en boven de Rotterdamse horizon afspeurt naar een groene kanarie. 

‘Kun je het er weer uitvissen?’, vraag ik aan vriendin F.
Met mijn knokige keto-knieën de herfstregen trotseren heeft mijn vetbehoefte zo aangewakkerd dat ik er onbeschaafd van word. F heeft een oranjekleurige maaltijd op tafel getoverd, geurend naar koriander en lemoen. Dat wil ik, maar mijn lijf schreeuwt ook om vet. Ik vraag om kaas. Niet in plaats van, juist erbij! F had net de kaas in de vuilnisbak gekieperd wegens schimmel.
Nu is F praktisch en bovendien de beroerdste niet, verre van dat: ‘Ik zal even kijken wat er te redden valt’, zegt ze en duikt in de bak. Ze haalt een stuk jong belegen en een stuk nagelkaas tevoorschijn. De schimmel is zo weggesneden. Ik neem flinke happen en stuur het vet naar mijn knieën. Laat die herfst maar komen. 

Achterhoek

‘U neemt deze lift naar de vijfde etage, u neemt de linkergang en u ziet het vanzelf. Kan niet missen’, stelt de dame van de receptie me gerust. 
Ik knik voorzichtig om haar niet te raken met mijn natte slierten en bedank haar.
‘Dus: welke etage stapt u straks uit?’, vraagt ze.
Ik lach: ‘Krijgt u hier veel verwarde mensen?’
‘De lift is voor veel bezoekers een probleem.’
Misschien had ik niet zo openhartig moeten zijn over mijn stress. Ik zocht tekst bij mijn drijfnatte verschijning. En de juiste naam weten van de leraar had wellicht ook bijgedragen aan een betere indruk. Ik vergeef mezelf, mijn taak was onmogelijk: in een hoosbui op de bakfiets naar een onbekend adres in een industriewijk. En dat in een regenjas met afzakmuts die mijn zicht belemmert en watergekletter dat de stem van Google Maps overstemt. Slechts twintig minuten te laat op mijn eerste Stembouw les is eigenlijk een topprestatie. 

De leraar op etage 5 is blij me te zien, nat als ik ben. Blij én verbaasd. Ik wring mijn broekspijpen netjes uit op de mat voor ik de houten vloer van zijn studio betreed. Hij laat er geen gras over groeien, al tijdens het inschenken van de thee begint hij met het uitleggen van zijn methode. Alles wat ik tot nu toe heb geleerd over zingen moet ik loslaten, sterker nog: ik moet precies het tegenovergestelde doen van wat ik gewend ben. De methode werkt op de kleine hersenen waar je vlucht-vecht-bevries centrum zit en die blijken bij mij nog goed te werken, hoera! Ik kan het centrum aanzetten met mijn wenkbrauwen. Die stomverbaasde blik heeft dus een belangrijke functie. 
Anderhalf uur laat hij me werken, dan mag ik weer met de lift. Mijn kleine hersenen zijn dood- en doodmoe. Ik strompel langs de receptioniste, met moeite steek ik mijn hand op.
‘U heeft het gevonden!’, juicht ze me na.  

Mijn grote hersenen werken ook: ze vormen Huize het Slat aan de Baksweg direct om naar de Slettenbak. Ik heb het gehuurd omdat er zes slaapkamers in zitten en die hebben we nodig als we met al onze nazaten vakantie willen vieren. De Slettenbak is een gezellige dikkerd, ze staat domweg gelukkig te wezen in de Achterhoek met haar rug naar een koeienboerderij, haar royale voorgevel uitkijkend over een weiland met oude bomen. ‘Kom maar hier, hier heb je het goed’, lijkt ze te zeggen. En ze heeft gelijk: we voelen ons direct thuis, komen tot rust en spreken louter met elkaar in het plaatselijk dialect. 
De koeien worden in de stal gehouden, ik hoop vanwege de hitte. Het weiland is dus leeg en dat is ideaal: nu kunnen we naar hartelust schieten met de meegebrachte luchtbuks. In de randstad kun je daar niks mee, voor je het weet raak je iets dat leeft. Maar hier kunnen we ons uitleven. De hele familie denkt mee over de constructie van een mobiel doelwit. Een eikenhouten kruk met bezemsteel en wc-rol blijkt het beste te werken. Stevig genoeg om te blijven staan, licht genoeg om steeds verder het weiland in te sjouwen naarmate de schieters vaardiger worden. 

Familievakantie betekent elke dag een uitje. Het klimmen in bomen laat ik aan mij voorbij gaan, ik ga mee op boswandeling met kleinzoon en zijn moeder met een nieuw kippetje in de oven. Kleinzoon holt voor ons uit om de volgende één-armige kabouter te vinden die ons de juiste richting wijst.
De volgende dag valt de grootste klompenfabriek ter wereld een beetje tegen. Niets mogen we zien van het productieproces, alleen de winkel is voor ons toegankelijk. Buiten ontdekken we wel een reuzenklomp waar kleinzoon en ik samen in passen. Voorzichtig klimmen we erin om het spinnenweb niet te beschadigen. Onze vreugde als we ontdekken dat er in de klomp een echo huist! Levensgezel koopt klompen voor zichzelf en laat zijn voeten de rest van de vakantie wennen. Ze staan hem goed. 
De vaste collectie in Kasteel Ruurlo bestaat uit schilderijen van Carel Willink en jurken van Fong Leng waarin Mathilde in de jaren zestig door Amsterdam zwierde. Ik koop een vogeltje met een fluitje in de museumwinkel voor kleinzoon. Mijn dove oren denken dat het een heel bescheiden vogelgeluidje is. Nietsvermoedend probeer ik met mijn rug naar het gazon achter de slotgracht het beestje uit tot zoonlief me wijst op het effect van mijn concert: ik heb kans gezien een huwelijksvoltrekking te verstoren.
Familievakantie betekent ook luieren, lekker koken, bordspellen doen, wandelen en bezoeken, maar lekker knallen met de buks blijft het dagelijks hoogtepunt. De vrouwen zijn er het beste in, de jonge vrouwen dan. Ikzelf heb niet één schot gelost, om de een of andere reden bleef mijn vizier donker. Misschien zitten mijn verbaasde wenkbrauwen ervoor. De hoogzwangere dochter blijft aanvankelijk ook op afstand. Pas de laatste avond geeft ze te kennen het ook eens te willen proberen. Ze heeft gewacht tot het koel en donker is. De oranje supermaan geeft een mooie gloed aan haar lange zwarte jurk. In opperste concentratie loert ze door het vizier, de rug achterover, prachtig in balans.  Ma Dalton met een enorme trommel. ‘Pang, pang!’, twee keer in de roos!

Slettenbak laat ons gaan de volgende dag, er komen andere mensen van haar genieten en bovendien weet ze: ‘deze komen terug.’

Het Dieet

‘Wat eet je zoal?’, vraagt mijn osteopaat die mij van een hardnekkige pijn in mijn been probeert af te helpen. Hij kraakt en masseert, kneedt en mobiliseert. Ik kom er altijd beter vandaan dan ik er binnenkom, maar die pijn in mijn been houdt aan. 
Enthousiast begin ik op te sommen. Met mijn eetgewoontes kan niks mis zijn, sterker nog, op dit onderdeel van mijn levensstijl ben ik best trots. Ik eet bergen groentes en fruit, heel veel fruit. Ik eet weinig vet en ik kom een heel eind met de eiwitten. Mijn osteopaat begint steeds bedenkelijker te kijken. Als ik klaar ben zegt hij: ‘wat een koolhydraten.’

Huh? Die paar koekjes? Ik had net gezegd dat ik niet zo van pasta houd. Hij legt het uit. Mijn ontbijt van havermout met gedroogde abrikozen en een sinaasappel is een suikerbom. De rest van de dag wordt er niet beter op. En dan heb ik nog niet eens opgebiecht dat ik mijn lage bloedsuikerspiegel tijdens mijn nachtelijke breaks opkrik met dadels: het gedrag van een suikerverslaafde.   
‘Mijn behandeling zou een stuk effectiever zijn als je wat aan je voeding gaat doen’, besluit mijn osteopaat. 
Dat is nogal wat. Ik ben gehecht aan mijn eetgewoontes, ik heb na een zoute lunch nu eenmaal trek in een zoete appel. Bovendien waardeer ik mijn routines, ik hoef nooit na te denken over boodschappen. Onlangs kocht ik een broodmachine en bak met veel plezier de wonderlijkste broden. Een radicale ommezwaai? Het leven is al ingewikkeld genoeg. 

Maar voor de zekerheid begin ik toch te lezen over een overstap naar vetverbranding. Ik vraag eens om me heen en hoor enthousiaste verhalen. Voor ik het weet heb ik het al besloten: ik geef het een kans. Ik maak een afspraak en doe mee aan een keto-voor-beginners programma. Stap 1: voorraadkasten leegmaken. 

Eva ben ik. Eva die betrapt is met haar appel en door God wordt weggestuurd uit het paradijs van onbezonnen en zorgeloos genieten van al het heerlijks dat Hij nota bene zelf bedacht heeft. Koolhydraten tellen moet ik en constateren dat 30 gram heel erg snel bereikt is. Als het mijn beurt is om ontbijt te maken: een sappige sinaasappel pellen voor levensgezel en zelf genoegen nemen met 10 blauwe besjes. Wat mis ik de chocola bij de koffie. De basis onder mijn bestaan is weggeslagen: ik voel ik me ontredderd.

Lang duurt dat niet. Na een paar weken droom ik niet meer over mangovormige zeppelins. Als ik nu naar fruit kijk zie ik vooral hoe snel het rot. 

‘Heb je een stuk kaas voor me?’, vraag ik aan vriendin M. We zijn klaar met het bewonderen van haar nieuwe huis met de von Trapp trap en staan nu op het punt een fikse duinwandeling te maken. M was altijd al snel van begrip. Ze rukt haar fonkelende koelkast open,  pakt een Old Amsterdam en snijdt een dikke reep voor me af. Ik gooi het naar binnen.
‘Nóg een?’, vraagt ze.
Hell yes, nóg een. Heerlijk, zout en vet, daar kan ik op wandelen. M’s fruitschaal, tot de nok gevuld met verlokkingen, kan ik rustig bekijken zonder te kwijlen. Ik geniet van de kleuren zonder er iets van in mijn mond te willen steken. Bizar hoe snel dat is gegaan. Het dieet heeft nog gewerkt ook. Ik slik geen pijnstillers meer en ik kan weer zelf mijn veters strikken. Of het nou placebo is of dat het ingewikkelde ketonen-verhaal echt waar is? Het maakt me niet uit. 

De bel gaat. Jongste dochter B staat op de stoep met haar vriendje. Voor de stoep staat een enorme bus met ‘goedkoopste verhuur’ op de zijkant geschilderd. Ze zien er verhit uit. Het vriendje rent naar de keuken, vult een groot glas met water en drinkt het in één keer leeg.
‘Hoe gaat het?’, vraag ik. 
Op topsnelheid doen ze verslag. Het gaat goed, al B’s spullen zijn van de oude kamer naar de nieuwe verhuisd. Ze komen hier een kast halen en dan gaan ze snel door naar een koelkast die ze op marktplaats hebben gezien. O ja. Of ik cash voor ze heb, dat hadden ze de eigenaar beloofd. Als ze me schetsen hoe ze af denken te komen van B’s in elkaar gezakte bed bedenken ze hardop nog minstens drie manieren om hun planning te verbeteren en kiezen zonder dralen de beste. Hun tempo ligt zo hoog dat ík er duizelig van word. 
‘Moeten jullie niet wat eten?’, vraag ik, die kinderen moeten de uitputting nabij zijn. 
‘Heb je paprika chips?’
Nee, dat heb ik niet. Ik heb ook geen appels, geen boterhammen, geen gevulde koeken. Ik vind nog een paar ingedroogde maiswafels uit mijn vorig leven, daar moeten ze het mee doen. En weg scheuren ze weer in de bus, rakelings langs de 4-wheeldrive die de buren naar Gambia willen brengen. Morgen ga ik mijn voorraadkast weer op orde brengen, stel je voor dat ze niet meer willen komen. 

Vlak voor het weekend ga ik nog eens langs bij de voedingsdeskundige. Ze prikt in mijn vinger en leest de waardes af: ‘Jouw lichaam pakt het prachtig op.’ 
Weer voel ik me trots. Dat lichaam van mij waar ik nooit een hoge pet van op had, heeft hem dat toch maar even mooi geflikt: hatsjiekiedee, van suiker- naar vetverbranden. Of het niets is. Ik laat me achterover vallen tegen de leuning en leg bijna mijn voeten op haar tafel. Maar dan zegt M: ´Mooi, ga maar direct door naar de volgende fase. Elke week één dag vasten.’
Wat? Hoezo? Het werkt toch tot tevredenheid? Waarom nog een schepje er bovenop? Met deze weerstand is M bekend, rustig schetst ze wat mij allemaal voor moois te wachten staat als ik die vastendag toevoeg aan mijn routine: dan wordt er van binnen pas écht goed schoongemaakt. Verdachte cellen worden opgeruimd, mijn organen worden één voor één opgepoetst, en dat levert me toch een hoop energie op. Mmmm, ik heb helemaal geen zin in honger lijden elke week, maar gereviseerde organen op mijn oude dag klinkt wel aanlokkelijk.

Op maandag wandel ik met kleinzoon en beklaag me bij hem over mijn nieuwe dilemma. Hij is nu twee jaar en vier maanden en heeft altijd iets verstandigs te zeggen. 
‘Poes gaat naar huis!’, zegt hij en wijst me op de grote grijze angorakat die met opgeheven staart voor ons uitrent. 
Dat is wel een hele diepe, poes gaat naar huis. Ik moet er echt even over nadenken, poes gaat naar huis. Maar dan snap ik ‘m.
‘Aam moet het maar niet te gek maken, hè?’

Feest

‘Je bent mooi genoeg’, zegt levensgezel en sleept me weg van de spiegel. Hij heeft gelijk. Niet wat mijn schoonheid betreft, maar dat hij me mee wil hebben naar het feestje waar we een uur geleden al werden verwacht. We zijn notoire laatkomers, onze kinderen hebben we er knettergek mee gekregen. In de tijd dat ze qua transport nog afhankelijk van ons waren kwamen zij dus ook overal te laat en schaamden ze zich rot. Ze groeiden wel uit tot betrouwbare volwassenen en zijn nu uiterst punctueel. Wij daarentegen zijn nog geen haar verbeterd.
Vanavond zijn we uitgenodigd voor een housewarming bij de achterburen. Smoezen als de brug die open stond, de TomTom die in de war was of de lekke band die gerepareerd moest worden kunnen niet worden ingezet. We hebben genoeg andere, maar hopelijk zijn ze niet nodig.
De nieuwe achterbuurman doet open. Hij heeft dichtgeknepen ogen in een in zichzelf gekeerd met grijze stekels bedekt gezicht. Hij praat heel zachtjes en als ik een stap naar voren doe om hem te kunnen verstaan deinst hij achteruit. Zijn vrouw komt erbij staan in de ruime hal. Een compleet ander type: vrolijke ogen, een royale lach boven de zonnebloemenjurk, om haar schouders een dikke stola van energie. Niet het soort mens dat een verklaring verlangt over onze late komst.
Ze hebben een half jaar verbouwd voor ze de nieuwe woning betrokken, het resultaat mag er wezen. De glazen pui die kamer scheidt van hal is al mooi, maar de open keuken beneemt mijn adem. Het keukenblok staat haaks op de muur zodat niemand met zijn rug naar de kamer staat en men tegenover elkaar kan koken. Ik ben stik-, stikjaloers.

’s Nachts word ik wakker met dorst en loop mijn keuken in voor een slokje water. Sinds wij vijf jaar geleden besloten dat mijn moeder’s grote grenen kast de familie niet mocht verlaten kun je in onze keuken echt je kont niet meer keren. Het heeft niets veranderd aan het gedrag van vrienden en kinderen: nog steeds willen onze gasten daar praatjes komen maken als ik de vis ga bakken. En bij mooi weer kiest nooit iemand de route naar de tuin via de openslaande deuren in de woonkamer. Nee, iedereen moet en zal via de keuken en liefst met zijn allen tegelijkertijd. Met regelmaat heb ik gasten ontzet omdat ze klem zaten in de deur naar de tuin. 
Waarom doen mensen dat, dat kun je je afvragen.  Mijn theorie? Dit is een behoefte aan wedergeboorte. Shocking, ik weet het. Je moet dapper zijn om deze waarheid te willen zien. 
Het zit zo: als we ouder worden en het aardse lichaam ons steeds meer in de steek laat, komen de herinneringen aan de eigen kindertijd steeds vaker terug. Bij de meeste mensen zijn die herinneringen prettig: je hoeft in het begin van je leven geen moer te doen en je krijgt toch voedsel, warmte en liefde. Slimme babies nemen het er eens goed van, laten zich de eerste jaren vorstelijk bedienen. Na een jaar of twee gaan ze zich vervelen en ontdekken ze dat ze zelf ook een wil hebben. Leiden is in last, want zonder dat ze het doorhebben storten ze zich in een lange periode van ontwikkelen, creëren, centjes verdienen, relaties beginnen en beëindigen, spullen vergaren.  Als je niet door pech eerder het aardse verlaat breekt onherroepelijk het moment aan dat het allemaal af is. Je hebt bereikt wat je van plan was, je bent klaar. Paniek! Het dessert en de kaas zijn al verorberd, er staat niks meer op het menu. Wat nu?  
Nou kun je natuurlijk doen of er niks aan de hand is, je gaat gewoon dóór. Je verzint een indrukwekkende bucketlist die onmogelijk valt af te werken zodat je leven altijd onvoltooid lijkt. Bij de meeste mensen echter komt onherroepelijk het moment dat ze terugblikken, hun leven nog eens nalopen. Wat hebben ze allemaal gedaan, was het wat? Zouden ze het anders doen als ze nog een keer de kans krijgen? En wat was nu eigenlijk de allerleukste periode? Als mensen dat allemaal overdacht hebben, krijg je dus dat ze zich bij ons in de keuken naar buiten willen wurmen terwijl het overduidelijk niet past.
Ik drink mijn beker leeg, kijk door het deurtje naar de door de maan verlichte acer in de achtertuin en voel me opeens heel vrij. Ik hoef geen andere keuken, deze is precies goed. 

Fietsen

’Ik fieeeeeets, ik fieeeeets!’, schreeuwt een macht sterker dan mijn ingetogen zelf uit míjn keel.
Negen jaar ben ik al als mijn vriendinnetje voorstelt dat we naar die verre  speeltuin gaan, ik kan wel op de fiets van haar broertje.  
‘Ik kan niet fietsen’, zeg ik.
Ze kijkt me stomverbaasd aan. 
‘Iedereen kan fietsen’, zegt ze, ‘gewoon zitten en trappen.’
Ik geloof daar geen bal van. Ik ben een onhandig kind en heb niet veel zelfvertrouwen, zeker niet als het gaat om fysieke vaardigheden. Mijn vriendin is zo’n stoere, sterke meid en heeft makkelijk praten. Fietsen ziet er ingewikkeld uit en lijkt me niet iets dat voor mij is weggelegd. 
Mijn vriendin heeft evenwel het fietsje al uit het schuurtje gehaald en zet het voor me neer. En dan gebeurt er een wonder. Ik ga zitten en ik trap. Mijn voorwiel zwabbert heen en weer, maar net voor ik omval geeft ze me een duw. Ik krijg vaart, ik voel de wind door mijn haren, ik fiets! 
Het begin van ware liefde. Een liefde die overigens pas laat in mijn leven echt tot bloei komt als ik met kinderen van 10  en 6 jaar en een baby van 11 maanden op fietsvakantie ga. De baby blijft overigens als enige van mijn kinderen enthousiast over dit soort vakanties. Menige zomer brengen wij samen fietsend door. 

De laatste tijd gaat de lol er een beetje af, fietsen is niet langer ontspannend, het is geploeter. Na een paar valpartijtjes word ik onzeker. Bovendien heb ik altijd tegenwind en trapt mijn fiets steeds door. Mijn vriendinnen rijden al jaren electrisch, waarom sloof ik me uit als onze tijd zulke mooie oplossingen biedt?
Afgelopen vrijdag werd hij gebracht: mijn e-bakfiets met twee wielen vóór. Het vergt een nieuwe techniek. Zo moet ik bijvoorbeeld van te voren de bocht insturen en goed afremmen voor ik aan de bocht begin anders kukelen we om. Op het stuur zit een magisch knopje met een plusje. Bij elke druk op dat knopje hoogt de motor de snelheid op. Boven stand 1 is er geen enkele spierkracht meer vereist: de fiets neemt het over en ik ga als een raket. Nu begrijp ik waarom er zoveel e-ongelukken gebeuren en waarom huisartsen waarschuwen voor massaal fitheidsverlies onder senioren. 

Kleinzoon is gewend aan het bakkie van zijn ouders en stapt zonder bedenkingen in die van mij. Daar gaan we het pad af, de weg op, langs de grote vijver, het bruggetje over naar de kinderboerderij. Die laten we rechts liggen en rijden door naar een nieuwe speeltuin. Als het niet bevalt fietsen we toch een stukje verder? We kijken niet meer op een kilometertje of wat. 
Ik fluit een deuntje en stel me andere momenten voor in de tijd waarop mensen hun actieradius enorm vergrootten dankzij een nieuwe techniek. Ongetwijfeld ervoeren zij hetzelfde geluksgevoel als ik nu.  

In de nieuwe speeltuin zit een oudere man zonder haar.  Aan zijn voeten zit een jongetje van een jaar of drie zand te scheppen in een emmertje. De man wrijft over zijn gladde pan, lange halen met zijn rechterhand. Als hij in de buurt van zijn wenkbrauwen komt, knijpt hij zijn ogen een beetje toe. Na een kleine pauze glijdt de hand weer terug richting zijn voormalige kruin en gaan de ogen open. 
Kleinzoon klimt ook in de zandbak, ik ga op de rand zitten. De opa zie ik nu en profile, net als het kleine jongetje. Twee overbeten, een grote en een kleine. Twee neuzen die wippen, de kleine wat meer dan de grote.
‘Uw kleinzoon lijkt sprekend op u’, zeg ik, ‘dat zie ik niet vaak, zoveel gelijkenis tussen grootouder en kleinkind.’
Halverwege mijn zin voel ik het gevaar: misschien is dit niet de opa, zal je net zien! Ik maak de zin toch maar af en heb geluk. 
‘Meent u dat? Nou, dat vind ik leuk om te horen!’
Hij schuift zijn rechterhand een beetje op zodat de linker er bij past en hup, daar gaan ze met zijn tweeën op en weer, op en weer. De ogen gaan nu helemaal dicht. Het kost me veel moeite er niet naar te staren. Heel veel moeite. Ik wend me tot kleinzoon. 
‘Gaan we weer fietsen?’
Hij vindt het goed. Aan de zijkant van de bak zitten opstapjes, hij heeft ze allebei nodig om erin te klimmen. Misschien is hij volgende zomer groot genoeg om er een over te slaan. Hij zal ook een beetje moeten opschuiven om plaats te maken voor zijn broertje of zusje. Die zit nu nog lekker onwetend te wezen in mama’s buik.
‘Doei-doei!’, zwaait kleinzoon naar de opa en het jongetje. Heel even komt de linkerhand los van de schedel, dan wordt hij weer snel teruggeplaatst.

Opa’s veldje

Het bleke jongetje beklopt het zand voor zijn knieën met een systematiek die routine verraadt. Zijn broertje met een kek blauw kinderbrilletje pakt het schepje dat achter hem ligt en stopt het in zijn handen. De vader ziet me kijken.

‘Ze doen samen met één bril,’ legt hij uit.
Aan de dikte van de glazen op zijn eigen neus te zien is hij zelf ook behept met een fikse min. 
‘O ja’, zeg ik, ‘kinderen raken ook zoveel kwijt, hè, je kan niet aan de gang blijven.’
‘Die van mij niet, hoor, verloren ze maar eens wat. Ze krijgen de kans niet eens’, zegt de vader.
Ik hef mijn hand op als teken dat ik heel graag de reden van de gedeelde fok wil weten, maar nu nog niet, want de tijd is niet helemaal aan mezelf. Ik ben met mijn oppasjongetje en zijn vriendje naar Opa’s veldje gefietst. Het vriendje heeft een zusje mee die sprekend op hem lijkt en bovendien een exotische moeder met donkere flitsogen. Ze is net begonnen aan haar levensverhaal, een spannend relaas dat begon in Sao Paolo waar vier uur reistijd om op je werk te komen normaal is. Geen wonder dat ze een andere omgeving zocht dan haar geboortestad toen ze klaar was met haar studie en geld moest verdienen. Via een au pairship in Ierland (‘dat was fantastisch, ik mocht het huis in de winter naar 25 graden stoken’) vond ze een Nederlandse liefde op Ibiza. Ik moet nog wennen aan haar manier van vertellen, want iedere keer als ik denk dat ze iets afgrijselijks vertelt, blijkt het voor haar juist geweldig te zijn en andersom, als ik in schaterlachen uitbarst, kijkt ze me verbijsterd aan. Het houdt me wel bij de les.
Nu wenkt ze me en terecht, haar verhaal was nog niet uit. Als ik op haar toeloop wappert ze ongeduldig met haar handen en wijst achter me. Haar dochtertje beklimt een nogal hoog toestel, blijkbaar moet ík daar iets aan doen. Het meisje is twee en uitgerust met een overdosis zelfvertrouwen. Ik neem een sprint en steek mijn armen vast omhoog bij het toestel zodat ik het meisje kan opvangen, mocht ze vallen. Maar dat doet ze niet, ze rent van paal naar paal over de slappe touwen die op anderhalve meter hoogte zijn gespannen. Het traject eindigt in een klein hangmatje met grote gaten. Ik til haar eruit en zet haar op de grond. 
‘Nog een keer!´, roept ze blij en rent op pezige pootjes naar het begin van het parcours. De ontknopingen van beide verhalen moeten wachten, ik ken die ‘nog een keer’s’ van Kleinzoon, daar komt niet snel een einde aan.

Druk is het niet op Opa’s veldje. Behalve wij en de brillenvader met zijn twee zoontjes is er maar één andere vrouw. Ze zit aan de picknicktafel met een laptop en is geconcentreerd bezig met een zoomvergadering. Zo te horen heeft ze een prominente rol, ze is voortdurend aan het woord. Uit haar stemverheffing maak ik op dat de meeting niet verloopt zoals zij wil. Ik zie geen andere kinderen. Is ze hier alleen of hoort ze bij de brillenvader? 
Mijn klimmertje heeft gezien wat de jongens doen. Zodra ik haar weer uit de hangmat heb gevist holt ze terug het veld over. Ik volg haar in iets bedaarder tempo. De jongens hebben de kraan met duinwater aangezet en van het zandpad een heerlijk modderparadijs gemaakt. Er worden kuilen gegraven, bruggen gebouwd, waterkeringen aangelegd. Mijn zak met geraspte peentjes wordt omgekieperd zodat er nu een stoet oranje kano’s door het kanaal varen. De vader van de brilzoontjes komt er ook bij staan. De kinderen gaan gehurkt op in hun spel, wij drie volwassenen kijken van boven op ze neer. Een vreemde setting: op de achtergrond de boze stem van de laptopvrouw, beneden ons de hoge kinderstemmen, wij zwijgzaam zoals toeschouwers van een voorstelling betaamt. Ik til mijn armen op en beweeg mijn handen als een poppenspeler. De Brazilaanse moet er om lachen, maar de vader krimpt ineen: ‘Laat die kinderen toch!’
‘Het was maar een grapje’, zeg ik.
Ik zie dat hij me niet gelooft, ik heb het verbruid. Zijn handen reiken naar de hoofdjes van zijn jongetjes op zoek naar fysiek contact om ze voor te bereiden op het loskomen van het spel, op de tocht naar huis.  
‘Waarom doen jouw zoontjes samen met één bril?’, probeer ik nog snel.
Maar het is te laat, hij doet of hij het niet heeft gehoord. Jammer, maar ik heb háár nog: ‘En die Nederlander waar je verliefd op werd, is dat de vader van jouw leuke kinderen?’
Ze knikt: ‘Maar het leuke hebben ze niet van hem, hoor.’

Kleinzoon

 ‘Zwaar’, puft Kleinzoon, ‘hoog’.
Hij beklimt de steile heuvel in het Suytwende park. Ik kom achter hem aan zodat hij niet – mocht hij zijn evenwicht verliezen – de helling afrolt als een tonnetje, maar direct tegen mij tot stilstand komt. Hij is pas twee, maar flink. Te zwaar om de heuvel op te tillen, hij moet dus zelf. Dat is hij niet zo gewend, hij laat zich graag duwen en dragen. ‘Lui’, zegt zijn moeder. ‘Slim’, zegt zijn opa.
Kleinzoon kijkt achterom naar mij en zucht nog eens: ’Zwaar’, maar klautert wel door. De beloning is groot, want boven begint de lange glijbaan en daar passen we samen op. Ik onder en kleinzoon op mijn schoot. Kei- en keihard gaan we, de bochten zó aansnijdend dat we steeds winnen aan vaart. Onderaan wacht een zandhoop die onze snelheid direct tot nul terugbrengt zodat we bijna over de kop gaan. Denk ik, confuus, nog na of dit wel écht leuk is, Kleinzoon maakt onmiddellijk een einde aan mijn onzekerheid: hij moet zo lachen dat hij er van omvalt en hij wil wéér.

Elke maandag komt hij aan met de metro uit Rotterdam, meestal met zijn moeder, soms met zijn vader. Die draagt hem op zijn schouders. Kaarsrecht zit Kleinzoon, zijn handjes vroom in elkaar gevouwen boven papa’s hoofd, soepeltjes meebewegend vangt hij zijn vader’s tred op vanuit zijn heupen. Handig hoor, als hij later op reis moet door de woestijn kunnen ze hem zo op een kameel zetten. 

Bij de kinderboerderij wil Kleinzoon in de zandbak. Braaf schept hij een paars emmertje vol met het enige schepje dat voorhanden is. Ik sleep een plastic stoel bij en zit heerlijk te niksen in de zon. Een ander jongetje wil ook met het paarse emmertje en het schepje. Hij laat er geen gras over groeien en probeert het uit Kleinzoon’s handjes te rukken. Die laat echter niet los en dat maakt het hebberige jongetje razend. Shit, ik zat net zo lekker. Gelukkig, er komt een ijverige moeder aangesneld: ‘Olivier, die spulletjes zijn van dat andere jongetje, laat ze eens los!’   

Engelengeduld heeft ze en een heel arsenaal aan opvoedteksten. Waar Olivier overigens weinig boodschap aan heeft, onvermoeibaar gaat hij door met zijn zin doordrijven. Trekken, krijsen, met een ander emmertje proberen Kleinzoon tot moes te slaan. Ik laat de moeder werken en kijk het allemaal aan vanuit mijn stoel. Ik heb alle tijd om te bedenken dat Olivier een volwassen neus heeft wat nogal vreemd staat staat in een kindergezichtje en dat zijn haardracht ook meer bij een kantoorklerk past dan bij een peuter. 
‘Hoe oud is Olivier eigenlijk?’, vraag ik aan de moeder. 
Ze veegt dampige slierten uit haar gezicht en geeft me een vermoeide blik: ’Dat heeft hij van zijn vader, hoor, daar kan ik niks aan doen.’
Ik snap het, ze vindt dat ik aan de beurt ben. Ik doe een lafhartige poging: ‘Kleinzoon, Oliviertje wil ook een keer met het schepje. Kunnen jullie samen
doen? Jij een paar keer scheppen en dan mag Oliviertje?’ 
Kleinzoon kijkt me minachtend aan en klemt zijn knuistje nog steviger om het paarse hengsel. Ik draai me weer naar de moeder: ‘Dat is nog te moeilijk, hoor’. 

Kleinzoon legt me graag uit wat er allemaal van mijn levensgezel is. Bij zijn startrondje door onze huiskamer wijst hij alle beelden aan: ‘Apo!’.
‘Ja, die heeft Apo gemaakt’, geef ik toe. 
De kunstboeken onder de tafel: ‘Apo!’
Ook daar kan ik in meegaan: ‘Ja, die zijn van Apo.’
Dan wijst Kleinzoon naar buiten waar onze auto voor de deur staat: ‘Apo!’
Dat wordt me te gortig: ‘De auto is ook van Aam, hoor!’
Kleinzoon kijkt me aan, de kleine radartjes draaien op volle toeren.
‘Auto Apo?’, vraagt hij nogmaals.
‘Van Apo én van Aam’, zeg ik, ‘Bijna alles is van Apo én van Aam, de piano, de stoelen, de tuin…’
Hij laat de kwestie rusten en gaat met zijn lego spelen. ‘s Middags heeft hij me tuk. Als ik zijn middagslaapje wel erg lang vind duren ga ik eens kijken in mijn slaapkamer waar op de maandag ook een kampeerbedje staat. Kleinzoon zit op de grond. Hij heeft in alle stilte kans gezien het maanvormige klepje open te ritsen, naar buiten te kruipen, zijn slaapzakje open te maken en zijn beentjes eruit te steken. Zo tref ik hem aan, hij is net op weg naar de wasmand. Er piept een heel klein stukje blauwe stof onder de houten deksel. 
‘Apo!’, glundert Kleinzoon.
Verdomd, het is de sweater van zijn opa. 

En dat betekent

 ‘En dat betekent….’, roept B en heft zijn stokje om de reacties van het popkoor te dirigeren, ’dat jullie erbij mogen dansen!’
Hij krijgt een ovatie die minutenlang aanhoudt. Ondertussen krijg ik mijn paniek niet meer onder controle. Hij was al aan komen rollen toen vlak hiervoor B een optreden aankondigde in een verre en slecht bereikbare provinciestad. Visioenen van een huurbus met te weinig zitplaatsen, ik moet de hele reis bij iemand op schoot. Nu komen daar beelden bij van hossende koorleden die telkenmale tegen een stokstijve mij botsen en terugbouncen. Ik  draal niet langer en neem een besluit.  Het effect voel ik onmiddellijk: mijn schouders en onderkaak zakken. Ik maak gebruik van de feeststemming en sluip ongemerkt het clubhuis uit. 
Buiten word ik opgewacht door een kwijlende hond met brave krulletjes en een valse grijns. Hij maakt een enorme sprong en zou zeker boven op mij landen als zijn baasje hem niet achteruit had getrokken. De hond jankt van teleurstelling en zet af voor een nieuwe poging. 
‘Hij kan niet tegen vrouwen met rode schoenen’, zegt zijn baasje hijgend. 
‘Stuur hem naar een training’, zeg ik en doe een ferme pas naar links, ‘De wereld is vol vrouwen met rode schoenen. Ik zou harde metten maken met een hond die daar niet tegen kan. ’
‘Korte metten’, zegt hij, ‘Weet u wel wat zo’n training kost?’
‘Ik draag graag bij’, zeg ik en grabbel in mijn jaszak. De euro gooi ik hem toe vanaf een veilige afstand, de hond wordt wild. Misschien kan hij niet tegen vrouwen die euro’s gooien.
Nou, ik kan niet tegen mannen die niet vangen.Ik sprint naar mijn fiets en rijd weg in de richting van de Vliet.

Elke donderdagavond passeer ik drie vissers, ieder hun vissersstoel gedraaid in de richting van het aankomend verkeer. Ze zeggen me altijd alledrie gedag, keurig na elkaar zodat mijn tegengroeten er precies tussen passen. Doodstil zitten ze, maar hun handen zijn bezig: een sjaggie draaien, een dobbertje aan een lijntje binden, een wormpje aan een haakje prikken. Ernstige mannen op leeftijd die ik nooit durf nooit te vragen of de vissen willen bijten. Ook vanavond zitten ze op hun plek.
‘Je bent vroeg’, zegt de eerste.
Hij zet zijn capuchon af, duwt daarmee zijn kortgeknipte grijze haren omhoog.
Ik stap af: ‘Ik ben weggesneaked.’
‘Van wat?’
‘Een popkoor.’
Hij knikt en steekt zijn hand op, ik loop door met de fiets aan de hand.
‘Ik heb je nooit eerder zien lachen’, zegt de tweede.
‘Morgen zeg ik op’, zeg ik. 
‘Waarom pas morgen?’, vraagt hij, ‘Het doet je goed.’
Ja, waarom pas morgen? Ik heb ooit geleerd er nachtjes over te slapen. Dat het tot andere besluiten heeft geleid als ik iets al heel zeker weet kan ik me niet herinneren, maar toch.
‘Zien we je dan niet meer?’, vraagt de derde.
Ik haal mijn schouders op: ‘Vangen jullie nou wel eens wat?’ 

Bruggetje over, straat door, het pad op. Mijn lief schoffelt de voortuin, hij kijkt op.
‘Je lacht!’, zegt hij.
‘Morgen zeg ik op’, zeg ik.
‘Morgen pas?’, vraagt hij. 
Misschien zie ik iets over het hoofd. Ik had 8 weken geleden immers goede reden om me aan te melden. En o, wat heb ik me druk gemaakt over de stemtest die heel erg mee viel. Ook daar had ik nare beelden bij van te voren. Ik dacht dat ik ten overstaan van het hele koor moeilijke cantates moest zingen. A capella. Die grandioos zouden mislukken. 
In werkelijkheid moest ik in een raamloos keldertje een paar riedeltjes nazingen. alleen B was aanwezig. Dat lukte me wel. 
‘Misschien denk ik morgen dat mijn fantasieën over het optreden overdreven zijn’, zeg ik, ‘Misschien wil ik morgen toch niet opzeggen.’

Maar zo gaat het niet. De nacht heeft me alleen maar gesterkt in mijn besluit. Ik slaag er weliswaar in mijn fantasie terug te brengen naar een realistische voorstelling van zaken, maar ik krijg er ook beelden bij.  Beelden over de werkelijkheid. En dan weet ik ook de echte reden waarom ik er mee wil kappen: ik voel me niet genoeg thuis in het gezelschap. Ik houd van hartelijke mensen, van zachte eitjes, van watjes. Tuurlijk moeten er ook mensen zijn die zeggen waar het op staat, die altijd onomwonden eerlijk zijn, die kritisch zijn en daar voor uitkomen. Ik waardeer deze mensen nog ook, maar ik hoef er niet wekelijks een avond tussen te zitten. Ik schrijf een aardige, niet helemaal eerlijke opzegapp en druk op verzend.  
Zo, wat nu? Een ander koor of een andere bezigheid? Manlief staat weer in de tuin, dit keer niet met de schoffel, maar met een grote heggeschaar. Hij dunt de bamboe uit. Ik zoek een mooie zwarte stengel uit. Als ik hier nou eens een nylon draadje langs maak en daar dan weer een haakje aan vastbindt?