Vakantie in eigen land(5)

Het meisje met de blonde paardestaart slaat het mollige meisje met de krulletjes wel drie keer hard op haar rug. Het mollige meisje krijst en komt te laat in beweging om wraak te nemen. Paardestaartje is sneller, na drie rondjes om het klimrek heeft krulletjes dat door. Ze neemt een andere route, maar raakt steeds verder achterop. Met een rood gezichtje stopt ze met rennen en besluit iets heel anders te doen. Met een onderhandse zwaai probeert ze het touw van de schommel een extra keer over de balk te draaien. Het lukt niet, ze probeert het bovenhands. Net op tijd duikt ze naar achter en weet de terugslingerende schommel te ontwijken. Paardestaartje wil dolgraag helpen. Van een veilige afstand roept ze haar aanwijzingen, maar krulletjes krijgt het nog steeds niet voor elkaar. Paardestaartje komt dichterbij om het voor te doen, pats, daar heeft ze een lel te pakken. Krulletjes was de rugslagen nog niet vergeten. 
G en ik zitten goud hier met een ligplaats aan de Ringvaart, een grasveldje voor de deur en uitzicht op de speelplaats waar van alles gaande is. Vandaag  gaan we nergens heen, vandaag is voor heerlijk niets doen. Gister voeren we terug met vrienden H en I van Uithoorn naar Kaageiland. Buienradar had donder en bliksem beloofd, maar dat ging allemaal niet door. Aan het eind van de dag eten we nietsvermoedend klassieke mosselen op het terras van ‘t Kompas. Na de koffie wordt het toch wat kil, we besluiten de laatste afkikkertjes aan boord te bekomen. Hebben we de glaasjes net ingeschonken, komt de buurman aan met een verhit gezicht. Hij spreekt gehaast: ‘Ik heb de brandweer gebeld, mijn accu ruikt naar hardgekookte eieren.’ 
We leven mee, dat is oprecht, maar voelen ons ook weer niet schuldig dat we ons verheugen op wat spektakel op dit brave eiland vol kaasboerderij en meditatietuin. 
Het begint veelbelovend. Twee, vier, zes brandweermannen treden aan, de een nog veiliger gekleed dan de ander. G en ik proosten nog eens met H en I. Wat heerlijk allemaal! Snel kijken we weer naar buiten om niets te missen van wat komen gaat. De twee dapperste brandweermannen gaan de boot op, buurman staat met vrouw en twee dochters bleekjes op de oever. Brandweerman nummer zeven komt eraan, in zijn armen een grote box die zo te zien onnoemelijk zwaar is. 
‘Zijn we nou van die verwerpelijke ramptoeristen als we een paar fotootjes maken?’ vraag ik aan mijn gezelschap. Ik denk wel dat mijn gezicht aangeeft dat ik niet zit te wachten op een braaf antwoord. Sterker nog, ik wacht het niet eens af, ik klik lekker door. Dit is bijna net zo leuk als een tochtje Botshol of boodschappen doen bij Appie in Vinkeveen. 

Heerlijk niets doen moet niet te lang duren, we halen de fietsen van boord. Lelijke stukjes Nederland zijn in de zomer bijna niet meer te vinden sinds de uitvinding van de zaadbom en het landelijk besluit van de vereniging van plantsoenendiensten om nergens meer te maaien. We negeren de houten stem van google maps die ons sommeert om te keren als we werkelijk de Action in Sassenheim willen bereiken. Hè, nee, we hebben net zo lekker de wind in de rug en wie weet wat we anders voor leuks missen in Lisserbroek. Bovendien hebben we nog best wat tijd voor vriend K komt eten. We stoppen met trappen en laten ons langs de ringvaart duwen. 
‘Elektrische fietsers voelen zich misschien altijd wel zo’, zegt G. Ik denk daarover als we zijn omgedraaid en de wind op de kop hebben. Ik weet niet, altijd maar comfortabel, dat is ook weer zo wat.

We eten met K aan de picknicktafel bij de speeltuin. Paardestaartje en krulletjes komen aangerend, zo te zien weer dikke vriendinnen.
‘Hebben jullie het bijgelegd?’ vraag ik. 
Ze horen me niet, ze hebben het veel te druk met hollen en springen. Ik ben blij voor ze, net als voor de buurman die na de brandweerinspectie gewoon weer aan boord mocht. We vegen onze mond af en begeven ons naar Effie bij Steffie voor een fatsoenlijke kop koffie met een authentiek Kaags schuimbanaantje. Zometeen nog maar even langs het bezinningscentrum.

Vakantie in eigen land(4)

Vriendin H belt, ze is gedropt bij het hek van de jachthaven waar wij de nacht hebben doorgebracht. Ik ben net op weg naar de Dirk, er moeten flessen drank komen. Eén fles is voor de havenmeester, hij bood vanochtend G aan de fijne kneepjes van het achteruit inparkeren te leren. Ik haal H op bij het hek, ze is goed met drank, kan ze mooi helpen kiezen.

We hebben een mooie dag voor de boeg met een tocht over de Drecht en over de Amstel. De bestemming is Uithoorn waar vriend S op ons zal wachten. We zijn goed bezig met ons drieën, zo leren we dat niet alle bootvaarders de kleur van de lichten snappen bij de bruggen. En dat terwijl de codering toch zo mooi aansluit bij wat we gewend zijn in het verkeer. Ook op het water staat rood voor stoppen en groen voor gaan met die banaan. Bij de spoorbrug mogen wij als eerste, maar de tegenliggers, een stoet van negen boten, zijn al gegaan en daar is niets meer aan te doen. Komt het lesje van de havenmeester vanochtend even goed uit! G is in zijn nopjes. Vrolijk zwaaien we naar de colonne voorbijvarende bootjes en gooien ze een paar tomaatjes toe voor onderweg.

Uithoorn blijken we nog te kennen, de restaurantjes langs de kade, de verleidelijke brug naar de overkant waar eigenlijk alleen auto’s overheen mogen, het loopje naar de supermarkt, alles is nog krek hetzelfde als elf jaar geleden. Alleen jouweigenmarktkraam.nl is nieuw, hier kun je je knutsels en je oude meuk laten verkopen door professionele marktkooplui. Een kraampje huren voor een week kost een paar centen, maar de opbrengst is geheel voor jezelf. Vreemd. Ik stap naar binnen. ‘Is dit wel het optimale verdienmodel? Doen de marktkooplui niet harder hun best als ze beloond worden voor elke verkoop?’ vraag ik aan de manager.

Hij staat met zijn duimen onder de oksel, de voeten wijd uit elkaar, de knieën licht gebogen. Voor hij antwoordt steekt hij zijn kin nog een beetje verder naar boven en kijkt over me heen: ‘Leest u Bijna Alle Mensen Deugen eens mevrouw, daarin staat beschreven hoe je al het professionele plezier om zeep helpt met bonussen.’

O ja, Rutger Bregman heeft een hoofdstuk over intrinsieke motivatie, hoe kan ik iets vergeten waar ik het zo vreselijk mee eens ben. Gek eigenlijk dat de manager zichzelf niet overbodig heeft gemaakt als hij fan is van Rutger. Mijn hoofd brekend over deze raadsels loop ik terug naar ons plekje aan de kade, recht tegenover de Griek. S komt aangewandeld, we sluiten de dag af met ouzo en olijven.

Bus 340 heeft tien minuten vertraging, maar dan heb je ook wat. Twee jonge fraaie vrouwen stappen uit bij bushalte Centrum in Uithoorn, toevallig zijn het mijn dochters B en J. Ze varen een paar daagjes met ons mee, wat hebben we toch een geluk.

Behalve sturen hoeven we weinig te doen op het volgende stukje Amstel, bij de afslag naar de Waver liggen schoonzus L en haar man T op ons te wachten. Een tijdje terug hebben ze een oude reddingsboot gekocht, windhooswaardig, je kunt er alle oceanen mee bevaren. Vandaag loodsen ze ons naar hun eiland op de Vinkeveense plassen. Geen overbodige luxe, de Waver is supersmal, frequent en laag overbrugd en alles moet open. Bij de Proostdijersluis moeten we anderhalf uur wachten. De sluis is maar vijfentwintig meter lang en vijf meter breed, daar kan niet veel in terwijl tout Amsterdam met drijfvermogen vandaag naar de plassen wil. Als we aanleggen voor de sluis kunnen we mooi even een klein stukje wandelen van het Noord-Hollandpad. Zo, maar dat is me een leuk pad over grasdijkjes en door weilanden met echt vee. Goed dat we geen hond bij ons hebben, want die mag niet mee, daar kunnen de koeien niet tegen.

Het is tijd om weer aan boord te gaan, we zijn aan de beurt voor de sluis. Ik durf nu bovendeks te blijven met mijn ogen open, alles loopt weer goed af. Bijna elke sluis heeft een aanpalend terras, er is altijd wel een uitbater die kansen ziet in gratis spektakel. Bij de Proosterdijer is dat de eigenaar van café-restaurant Bon. Trots zwaaien wij naar de klanten op het terras, het meisje van de bediening herkent schoonzus L die voor vanavond een tafel heeft gereserveerd voor ons allen. Ze krijgt vast niet veel fooi. ‘Tot vanavond!’, roept ze, zeldzaam intrinsiek enthousiast.

Vakantie in eigen land (3)

We liggen tussen twee spiksplinternieuwe motorjachtjes. Op de ene staat ‘Connie Beter’, op de andere ‘Ali Mentatio’. Ze zijn vast van twee zussen zijn die elk weekend schaterlachend over de Kaag varen, in de ene hand het stuur, in de andere een glas champagne. 

‘Ali, doen we weer Tante Kee vanavond?’ schalt Connie over het water. 

Ali haalt de klip met parels uit haar haar en schudt even met haar hoofd, de versgeverfde krullen landen netjes geschikt op haar blote schouders.

‘Ik reserveer wel even, Connie’, roept ze en heft het glas naar haar zus.

Connie en Ali zitten er niet mee dat Jachthaven Kaagdorp op een echt eiland ligt, dat je hier gevangen zit en er niet zomaar af kan. De paniek die ik nu voel kennen ze niet, zij nemen het leven gemakkelijk. ‘Maak je niet zo druk’, zeggen ze in mijn hoofd als de overdosis adrenaline me in beweging brengt. Op een holletje verlaat ik de haven en ontdek al snel het gele pontje. Navraag bij de havenmeester levert gerustellende informatie op: de pont gaat dag en nacht, ik kan 24 uur per etmaal het eiland af. Mijn ademhaling zakt, mijn hartslag ook, nu kan ik op verkenning van het eiland. 

Als ik beloof dat ik geen bierblikjes achterlaat mag ik het terrein op van het bezinningscentrum Stal op de Kaag. Het is opgericht door priester Kees, de oudste zoon van de scheepswerffamilie Van Lent die al honderdzeventig jaar een prachtige werf heeft op het eiland. Heel af en toe gaan de grote deuren van de werf open en glijdt er een designschip naar buiten met een wijnkelder voorzien van een onderwatervenster of met een zwembad op het hoofddek met een glazen bodem, zodat gasten op de dansvloer de zwemmers boven hen kunnen bekijken. Kees was voorbestemd dit mooie bedrijf te gaan leiden, maar na een paar jaar weg- en waterbouw in Delft verkoos hij het priesterschap. 

Ik kan een rondje lopen langs de meditatiepoppen van houtsnijwerk, ik kan wandelen over het laarzenpad, ik kan op de bankjes zitten met uitzicht over de plas. Ik doe het allemaal en word zo kalm dat mijn geheugen weer aangaat. Ik weet het weer, zeven jaar geleden was ik hier ook! G en ik wilden leren zeilen en huurden voor drie dagen een privé leraar in. Overdag zaten we op het water, ’s nachts sliepen we hier in een B&B. Zeven jaar geleden blaakte ik denkelijk van het zelfvertrouwen, ik kan me niets herinneren van eiland-angst, ik herinner me wel dat onze leraar een engerd was. Hij was erg boos over zijn ontslag  bij het wapendepot van Defensie, hij had zijn dochters tuchtig opgevoed en hij had een ongezonde behoefte aan bevestiging van zijn kwaliteiten. We behaalden een diploma, die van mij hangt nog steeds op de ijskast.

Na het filmpje van Royal Van Lent Shipyard, naar binnen gluren bij Tante Kee en een wandeling over het kerkhof haast ik me terug naar de pont. Op het eiland zijn geen winkeltjes. Aan de overkant moet ik een uur wandelen voor de dichtstbijzijnde supermarkt, maar tussen 5 en 6 komt er een soort SRV-wagen langs. Die wil ik niet missen. Op de pont sta ik ingeklemd tussen twintig kindertjes met zwemvestjes aan. Ze zijn doodmoe, de hele dag hebben ze zeilinstructies opgevolgd. Hun juf ziet er veel liever uit dan de psychopaat van G en mij. Aan de overkant bedenk ik dat een pont natuurlijk OV is, had ik geen kapje op gemoeten?

Vandaag hoeven we niet ver, we varen naar jachthaven De Brasem met de vaardige havenmeester. Hij staat ons op te wachten bij de kade. Zodra we dichtgenoeg bij de steiger zijn springt hij aan boord en neemt het stuur ongevraagd over van G. Heerlijk vindt hij dat, een nieuwe schuit naar binnen loodsen. Hij legt ons op een lekker plekkie met uitzicht op het Braassemermeer. Vaste land onder mijn voeten en een supermarkt op loopafstand, ik heb weer controle! Ik spoed me naar de Dirk, sla expres onvoldoende in zodat ik zometeen nog een keertje moet. Vriend K komt langs. Na geruime tijd chillen op het achterdek willen we de benen strekken, met zijn drieën gaan we op zoek naar de dorpskern van Roelofsarendsveen. Uren zijn we bezig, maar vinden niks ouds en gezelligs. Google maps leidt ons naar het centrum, maar dat is een modern winkelplein rond een parkeerterrein met een HEMA, een Hunkemöller en modezaak Jennie’s Rits. 

‘Zoek eens naar de dorpsstraat’,  zegt K.

Is er niet.

‘Zoek eens op kerkstraat’, zegt K.

Is er niet.

Het begint te dagen. Roelofsarendsveen heeft geen oud centrum, dat gezellige terras waar we zo’n zin in hebben bestaat helemaal niet. Connie en Ali willen hier nog niet dood gevonden worden, maar wij geven niet op. Google maps toont toch een terras. ’t Veen Eten en Drinken zal wel een snackbar wezen, toch lopen we de zevenhonderd meter om. We worden beloond, een echt terras op gras aan het water met enthousiast personeel en ijskoud bier. Ik hef het glas op Connie en Ali. Ali heeft haar echtgenoot hier achtergelaten. Soms vaart ze nog wel eens voorbij met haar zus als ze een afslag hebben gemist.

‘Weet je nog, Ali?’ schreeuwt Connie.

Ali huivert en geeft een dot gas.

Vakantie in eigen land (2)

Is ze het nou wel of is ze het nou niet? Het meisje op het perron lijkt op de middelbare schoolvriendin van dochter B. Ze krijgt mij in het vizier en steekt haar hand op. Hoe heet ze ook weer? In afwachting van de randstadrail wisselen we in hoog tempo informatie uit. Ja, we zijn de lockdown goed doorgekomen, nee, we zijn niet ziek geworden, nee, deze zomer niet naar het buitenland. De tram arriveert, ik stap doorkakelend naar binnen, haal mijn chipkaart langs het schermpje en merk dan pas mijn vergissing. Ik heb geen mondkapje op! Ik schaam me dood, de tram rijdt al en ik ben bezig de aerosollen vol met god mag weten wat voor druppels te laden. Ik laat mijn koffer en lunchpakket op de grond vallen, stop met ademen, ruk het kleine tasje van mijn rug en grabbel zo snel ik kan. Ik heb altijd mondkapjes bij me en vind er gelukkig  snel een die ik zo snel mogelijk over mijn gezicht probeer te plaatsen, maar gek, het past niet meer. Dat is de bijwerking van adrenaline, je word er heel onnozel van. Licht geamuseerd bekijkt B’s vriendin mijn gestuntel . Ze kent mij niet goed genoeg om actief te helpen, ze kent me te goed om zich volledig te distantiëren. 

‘Je hebt je OV chipkaart nog in je mond’, zegt ze.

Na de tram moet ik met de trein naar Zwolle. Ik koop nog snel een cappuccino to go en zoek in de trein met de NS WiFi hoe je koffie door een mondkapje naar binnen krijgt. Op 12 juni laat een NS woordvoerder in Editie punt NL weten dat mensen best even hun mondkapje af mogen als ze wat willen eten of drinken. Dat is heel mooi want mijn treinreis duurt bijna twee uur, ik heb flinke honger, avocadoboterhammen springen uit mijn tas. Ik heb tekenspullen bij me, een laptop, twee Volkskrant bijlagen en De Meeste Mensen Deugen. Als ik in Zwolle aankom heb ik niet eens één bijlage uit, heel geheimzinnig, waar zijn die twee uur gebleven?

Dochter-, schoon- en kleinzoonlief wachten me op in hun snapschat autootje. Ik mag het laatste stuk met ze mee. Jagerverhuurt heeft appartementen voor ons op een boerderij in Norg, hier komen we samen met G en de andere (schoon)kinders. Het is allemaal nog mooier dan voorgesteld. Er zit een mancave bij met biljart, het weer werkt mee, de Coop zit op 1 minuut lopen om de hoek en is maar liefst tot acht uur open. Bij ons in het Westen is het ondenkbaar een karretje te lenen om je boodschappen mee naar huis te vervoeren. Hier in Drenthe moedigt het personeel ons juist aan.  Bij de wandeling door het dorp ontdekken we dat de Coop-karretjes als gemeenschappelijk bezit wordt beschouwd, ze worden overal voor ingezet. De handymannen van Jagerverhuurt verplaatsen er hun gereedschappen in, bij cafe de Dronken Lor rijdt de ober de bestellingen erin rond, de kapster van ‘t Scheer verzamelt er de dode punten in. 

Het is onze eerste familievakantie met de volgende generatie. Moesten we er vroeger nog wel inkomen, langdurig met zijn allen bij elkaar zijn, nu is er een gemeenschappelijk doel waar alles voor wijkt. Kleinzoon M moet blij zijn, daar doen we allemaal ons best voor. Kleine M vindt dat prima, kwistig strooit hij met betoverende lachjes. Wij verkeren permanent in staat van opperste vertedering, we leven mee op zijn babyritme. Af en toe rukken we ons los voor een wandeling. De velden rond Norg met duizend verschillende bloemetjes, de Drentse mensen die ons groeten, zelfs de zwarte hengst die zo verliefd is op de merrie in het weitje verderop, maken ons mild en sereen. Na twee dagen hebben we het door: Norg is het centrum van het heelal. Hier beproeft de natuur op kleine schaal wat elders impressief kan worden overgenomen. Doet Slangenkruid het naast Stinkende Gouwe, groeit de Weidechampignon juist goed in de schaduw van de Grote Parasol?  Na een succesvol seizoen in Norg wordt het recept aan de rest van de wereld doorgegeven. Wij hebben het geluk dat we alle nieuwe mutaties, zowel in de fauna als in de flora, voor het komende jaar alvast mogen bekijken.

Als tegenhanger voor ons mierzoete leven in Norg spelen we ‘Black Stories’, een spel waarin je met een team door vragen stellen achter de gruwelijke waarheid moet komen. Er is maar één zekerheid: de hoofdpersoon van een black story is ellendig aan zijn einde gekomen. We krijgen er geen genoeg van, we bedenken zelf black stories, we krijgen zin in het gevangenismuseum in Veenhuizen met de martelkamers en folter-apparaten. Jaaa, laten we gaan! In twee volgepropte auto’s komen we aan. Vanuit de draagzak kijkt baby M naar het hek rond de gevangenis, hij ziet eruit als een verbijsterd kangoeroejong. Hij gaat toch niet huilen? Bezorgd schermen we hem af van dit naargeestige gezicht. Overleg is niet nodig, eensgezind buigen we af naar rechts, daar lonkt weer een coulissenlandschap. Met roze springbalsemien. 

Vakantie in eigen land (1)

Waarom zijn we zo lang in de passantenhaven in onze woonplaats blijven liggen? Nu hebben we ons de toorn van de mevrouw met de gele krulletjes op de hals gehaald. Ze beantwoordt onze groet niet en loopt woest typend op haar telefoon het park in. Ik kijk naar G, we denken hetzelfde: ‘O, o!’ 

En inderdaad, nog geen halfuur later rijdt een klein wagentje de kade op en remt vlak voor onze schuit. Een van de zeshonderd ambtenaren van gemeente Voorburg stapt uit. Hij ziet er vriendelijk uit met zijn grote snor, zo’n empathisch type aan wie je onmiddellijk alles wilt opbiechten. Nog onbevraagd sommen wij al onze misstappen ooit begaan op, maar hij weert de stortvloed af met zijn handen in de lucht: ‘Ik ben alleen geïnteresseerd in uw verblijf in de haven.’ 

‘U heeft helemaal gelijk, we liggen hier al veel te lang’, zeggen wij als makke schapen en steken onze pootjes naar voren om het vastklikken van de handboeien te vergemakkelijken. Bromsnor is de kwaadste niet, hij gunt ons nog een laatste nacht in de passantenhaven: ‘Maar morgen moet u echt weg.’ Dat we morgen op fietsvakantie gaan en de dag al overpland is, daar kan hij ook niks aan doen.

Na de repetitie (spelen in drie rijen van twee gaat best en ook de buren reageren fideel op de tuindeuren opengeslagen vanwege de aerosollen) zet ik de bandleden onbeleefd snel op straat en spoed me op de fiets naar de haven. G en dochter B hebben het schuitje al aan het pruttelen, we hijsen mijn fiets aan boord en varen weg naar het noorden. Ik moet er duidelijk weer inkomen, met mijn landbenen loop ik maar in de weg. De passage door de sluis bij Leidschendam is het engste, met de handen voor de ogen blijf ik in de kajuit zitten tot het voorbij is. B en G loodsen ons er veilig doorheen. We botsen nergens tegenaan, niet tegen het dure jacht, niet tegen de kindertjes in de sloepjes van de scouting.

Vrijwillig havenmeester Willem van jachthaven Vlietopper is lief, maar niet zo goed met computers. Eerst mogen we van hem in box 39, maar als we ons bootje met driedubbele mastworpen aan vijf bevestigingspunten op de steiger hebben aangesnoerd, komt ie met het bericht dat het toch box 41 moet zijn. De papieren uitdraai waar Willem overdag op teert bleek niet langer synchroon met de digitale werkelijkheid. En die werkelijkheid is wet, dat snappen wij ook wel.

Zo wordt het half vier voor we de fietsen van boord hebben en we aan onze fietstocht kunnen beginnen. We leggen ons lot in handen van google maps. Het leidt ons dwars door het centrum van Leiden dat is afgevuld met toeristen. Bruggetje twee is te steil voor mijn zwaar beladen fiets, halverwege de klim komt mijn voorwiel van de grond. Een duitse papa van vier kan me nog net opvangen en het bruggetje overduwen. 

‘Vielen Dank!’ roep ik en voort gaat de tocht, langs grachten en parken, door dorpen en weilanden van het groene hart. In gemeente Kaag en Braassem mag iedereen posters plakken op de vrije zuilen, maar slechts één onderneming maakt daar gebruik van: het spinmannetje dat elk pand spinvrij kan maken. Nu ben ik opgegroeid met ‘een spin in de morgen is een dag zonder zorgen’ en ‘een spin in huis, daar is het pluis’ en kan niet geloven dat er een bedrijf bestaat van spinnen verdelgen maar het is echt waar. Spinmannetje kan ook zilvervisjes, kakkerlakken en bedwantsen uitroeien, maar spinnen vermoorden doen ze het liefst. We fietsen snel door. Buienradar had regen beloofd, maar die blijft uit. Wind is er wel, veel en op kop. Wij zwoegen,  links en rechts voorbijgesnord worden door elektrische bejaarden helpt ons niet met de snelheidsbeleving. Droog, moe en laat komen we eindelijk aan.

Master bedroom van de Airbnb in Voorhout heeft drie ramen, een kijkt uit op de woonkamer, twee en drie kijken uit op de keuken. Het zit eigenaardig in elkaar, ons onderkomen op boerderij Jachtlust, alsof er eerst een klein huisje was waar een groter huisje omheen is gezet. Het is volmaakt ingericht, superschoon, van meer dan alle gemakken voorzien. Hostess Margreeth ziet er al even perfect uit, bij de rondleiding schiet ze met haar felgelakte pinknagel nog snel een overleden vliegje weg uit een vergeten hoekje. Voor ze weer verder rijdt op de trekker in haar witte jumpsuit maakt ze ons attent op haar side business. Op de boerderij kun je je voor weinig laten bijpunten, naverven, opföhnen. Eigenlijk zijn we toe aan een opknapbeurt, maar de energie is bijna op voor vandaag. Er is nog maar net genoeg voor een kijkje in de stal.

We hebben geluk, er is een bevalling gaande. De helft van het kalf is al geboren, maar als we dichterbij komen verdwijnt het weer in moeder koe, die vervolgens opstaat en doet of er niets aan de hand is. Een mechanisme uit de oertijd toen koeien nog natuurlijke vijanden hadden en moeders hun kroost niet onmiddellijk wilden afstaan aan een hongerige wolf. Stilletjes verlaten we de stal.

‘s Avonds na een laat diner gaan we nog een keer kijken. De koe ligt weer op de grond. Naast haar in het stro ligt een klein wit kalfje.

Met droge ogen

‘In het pad rechts van de condooms’, antwoordt het meisje van het Kruidvat als ik haar vraag waar ik de druppels tegen droge ogen kan vinden. Ik denk dat ik het verkeerd versta en vraag het nog een keer. Ze komt met precies hetzelfde antwoord. Dit keer kijkt ze niet op, ook komt ze niet op het idee mij de juiste richting te wijzen, ze sopt winkelmandjes. 

Het zet me aan het denken. Ik zie er vast niet uit als iemand die zo regelmatig de voorraad thuis aan moet vullen dat ik het schap op eigen kracht weet te vinden. Of misschien toch? Dat de corona-crisis onze activiteiten en het afgeleide koopgedrag beïnvloedt, is bekend. Ik vermoed dat er nogal wat energie wordt gestoken in het verbeteren van bestaande relaties. Als ik dat combineer met de toenemende behoefte aan veiligheid, vooral onder ouderen, is de aanwijzing van het Kruidvat meisje niet meer verbazingwekkend.

Ik laat mijn droge ogen door de winkel dwalen en heb het schap onmiddellijk gevonden. Er staan vlaggetjes op geprikt en een groot bord met ‘Hier moet u wezen’. Ik moet inderdaad geruime tijd wachten voor er 1.5 meter beschikbaar is voor het schap en ik kan waarnemen dat 40 stuks Fun Explosion maar 24,95 kost. Netjes van Durex dat ze geen misbruik maakt van de crisis. Gold dat ook maar voor de firma Similasan. Voor een piepklein flesje neptranen moet ik tien euro neertellen. 

Een terugkerende kwaal, droge ogen, in tijden dat ik niks van het leven wil missen en dus veel te weinig knipper. Aan het begin van de crisis had ik nog volop tranen van mezelf. Ik hoefde maar langs de basisschool te fietsen waar ik voor de lockdown nog boeken aan kinderen uitleende. Nog erger werd het toen de school beplakt werd met spandoeken ‘We missen jullie zo, lieve kindjes.’ Het concert met smartlappen voor het bejaardentehuis bij mij achter, ook goed voor een toeterpartij van mijn kant.

Toen werd mijn kleinzoontje geboren, twee weken geleden. Een volmaakt ventje met alles erop en eraan. Hij maakt het goed, zijn ouders ook, mijn tranen verdwenen, nu moet ik ze kopen. Ik spring op de fiets en spoed me naar huis, want straks gaan we met hem wandelen. Onderweg word ik ingehaald door een begrafenisstoet. Ik voel me zwaar underdressed in mijn lichte zomerjurk die steeds opwaait door de harde wind. Meer dan vijftig procent kans dat er een corona-slachtoffer in de lijkwagen ligt. Ik buig mijn hoofd even in de richting van de kist.

Mijn kleinzoon is wakker, hij is nog te klein om mij te kunnen zien op de 1.5 meter, maar reageert duidelijk op mijn stem. Het is de eerste keer dat hij in de buggy mee naar buiten is. Zijn ouders namen hem tot nu toe mee in de draagzak, maar dan kunnen wij, zijn grootouders, hem niet goed zien. Ons kleine prinsje ligt te stralen op zijn schapenvachtje, zijn ogen worden groot als het wagentje begint te rijden. En zo lopen wij in een optocht met verboden veel mensen door de verlaten straten van Rotterdam. We passeren een winkel tot de nok gevuld met LP’s. De grijze eigenaar komt net naar buiten voor een hap zon. Of hij toevallig Dark Side of the Moon heeft, wil mijn dochter weten. Hij weet uit zijn hoofd dat hij dat niet heeft. Hij belooft mijn dochter een eerlijke prijs als hij er weer een bemachtigt. 

Langs de singel is de graszoom breed genoeg om neer te strijken. Kleinzoon wordt gevoed, wij krijgen beschuit met muisjes.  Nee, van deze middag wil ik niks missen, hoeft ook niet, ik heb druppeltjes.

Baantjes

‘Mevrouw, als u uw slag áf zou maken, moet u eens opletten hoe hárd u dan gaat.’

De bejaarde man rust zelf even uit langs de kant van zwembad Forum Kwadraat en geeft zijn ogen de kost. Het is een knapperd geweest, nog niet zo heel lang geleden. Hij is in het leven niks tekort gekomen. En zijn tekst is goed. Hij suggereert dat hij me iets kan bieden voor een betere toekomst. Zwemkennis.

Toch gaat mijn verdedigingsreflex nog even aan, in hoog tempo som ik redenen op waarom mijn slag zo weinig effectief is. Mijn subacromiaal pijnsyndroom is nog niet genezen, mijn linkerbeen laat zich niet zo goed besturen, ik heb in mijn jeugd weinig kunnen zwemmen, ik  ben meer een denker dan een doener (dat is gelogen), ik ben slordig van aard, ik ben meer een starter dan een afmaker. 

Zoals elke goede leermeester negeert hij mijn smoezen en herhaalt geduldig dat ik beter de slag kan áfmaken. ‘Ik doe het voor.’

Als ik mijn gezicht dicht bij het water houd, heb ik alleen zijn benen in beeld. Maar zelfs zonder de hoog boven het water uitstekende buik valt het me op wat een rare, onelegante slag dit eigenlijk is. Als ik dat eerder had geweten zou ik hem zeker niet elke week gebezigd hebben. Ik wil er onmiddellijk mee stoppen. Maar het is te laat, ik heb teveel aandacht gekregen, nu ben ik de man iets verschuldigd. Op mijn zevenenvijftigste ben ik opeens weer zwemleerling die hard moet werken aan de onappetijtelijke rugslag.

Als ik een baantje mijn best heb gedaan voel ik dat ik mijn schuld heb ingelost. Ik kan nu best bedanken, gedag zeggen, aan de andere kant van het bad verder gaan met mijn baantjes en dan een nieuwe slag zien te verzinnen. Maar aan de andere kant is het gevaarlijk. Dat is de ouwehoerzone, waar ik me onlangs in de nesten heb gewerkt. Daar staan zes massieve vrouwen rechtop in het water om met elkaar de week door te nemen. Vorige week vroeg ik of ze dat langs de kant wilden doen. Het is druk in het bad, de banen die zij bezetten zijn hard nodig. Ik kreeg direct mot met de grootste. Ze leek me absoluut geen sportief type, maar ze was opvallend snel bij me en strekte haar kolossale arm uit, vlak voor mijn gezicht: ‘Dáár is het deel om te zwemmen.’

Overbluf van de bovenste plank.

Woest en laf zwom ik met mijn onbeholpen slag naar de badjuf met kerstsloffen om te checken of dat wel echt wáár was. Ik werd gestraft voor mijn gebrek aan moed, de juf moest opeens dringend ergens heen. Zes vrouwen lachten me uit, recht in mijn gezicht. En nu moet ik terug om te ontsnappen aan mijn badmeester.

‘Goedemiddag, dames.’ zeg ik slalommend tussen de trommels. Ik krijg geen antwoord, maar ze láten me. En dan krijg ik toch nog wat leuks. Achter de vleesmassa’s zie ik C en V. Zij komen hier vaker en hebben een act. C speelt de luie die het zwemmen al na tien minuten welletjes vindt, V geeft daar een voice-over op voor de andere zwemmers. Hij speelt de zuchtende opvoeder die C terug het bad in commandeert als hij wil ontsnappen. C laat zich dan mokkend terug in het water laat zakken. 

Vandaag zijn ze allebei lui, ze staan aan de kant, het gesprek gaat over auto’s. Sta ik op het punt me daar in te mengen, komt mijn badmeester bovenlangs aangelopen. Hij heeft een lange groene koker in zijn hand en zakt op zijn hurken bij de rand van het bad.

‘Hier kun je je hoofd op laten rusten als je de rugslag oefent. Langzaam zwemmen, je benen goed intrekken.’ zegt hij en reikt me de slurf aan, ‘En geef het tijd, reken op een jaar om je slag te verbeteren.’  

Een jaar? Er kan een hoop gebeuren in een jaar. Misschien lig ik wel onder de groene zoden, misschien zit ik dan wel op kickboksen. Mijn meester wappert met een trainingsschema, ik moet thuis oefenen op een stoel. Vijf minuutjes, maar wel elke dag. De zes dames hebben de instructies gevolgd, ik zie ze smoezen en lachen. De grootste haalt haar armen uit het water, ze trekt wel honderd liter mee. Als de golf terugkaatst van de rand gaan er zeker drie zwemmers kopje onder. Traag glijden de toppen van haar wijsvingers beurtelings langs de zijkant van de andere.

Oma (1)

‘Wat doet die mevrouw?’ fluistert het kleine meisje. Ze reist met haar moeder in de randstadrail naar Rotterdam en zit tegenover mij. Haar moeder aarzelt. ‘Ik brei een lapje.’ zeg ik, ‘Dit wordt een dekentje voor mijn eerste kleinkind.’ Het kleine meisje kijkt me aan en houdt haar hoofd schuin. Ik zie aan haar ogen dat ze denkt dat ik haar afscheep met een flauwekul verhaal.  ‘Gefeliciteerd!’ zegt de moeder die ook haar blik op mijn handen houdt die net beginnen aan een lijntje averecht.

‘Mijn zwangere dochter houdt van home-made kadootjes.’ leg ik uit.

‘Over dit kado zal geen misverstand bestaan, mevrouw.’ zegt de moeder.

Ze heeft gelijk. We breien het dekentje met zijn drieën, mijn twee niet zwangere dochters en ik. Een van hen is brei-deskundige, zij kan zelfs sokken breien met eekhoorntjes. De ander is jong en handig. Ik daarentegen zie kans op ongeplande momenten ribbeltjes en ajourgaatjes in mijn lapjes te breien. De home-made look komt helemaal voor mekaar.

‘Gaat u oppassen?’ vraagt de moeder van het kleine meisje. Nu haalt ze haar blik van mijn handen en bekijkt de rest van mij grondig, alsof ze een inschatting maakt van mijn oppaskwaliteiten. Ik ga rechtop zitten en maak lichte wiegbewegingen, ondertussen neurie ik een bekend slaapliedje. Dat is een nieuwe tic, de laatste tijd denk ik steeds dat ik examen moet doen. Zeker als het over mijn naderend omaschap gaat.  ‘Ik krijg een vaste dag per week en daarnaast nog strippenkaartdagen.’ zeg ik.

‘Zwaar, hoor, oppassen. En er zijn zulke goede kinderopvangcentra tegenwoordig.’ zegt de moeder. 

Ja, ja, ik ben op de hoogte van de concurrentie. Ik houd ze nauwlettend in de gaten. Ik denk nog na over mijn unique selling points, ben druk bezig met de ontwikkeling van mijn oma-identiteit. Ik kan zelf putten uit herinneringen aan twee oma’s, elk met een duidelijke identiteit. De ene lapte alle verwaarloosde, in de steek gelaten en kapotte dieren op in Bilthoven en omstreken. Dat was bekend en de aanvoer van zielige gevallen hield dan ook nooit op. Alle beesten die na de oplap weer voor zichzelf konden zorgen, werden weer uitgezet in het bos. De rest leefde het leven uit in mijn oma’s huis, tuin of schuur. 

Ik kwam er graag en nam het ponyrijden voor lief.  Mijn oma’s pony had een lieve naam, Jochie, wat absoluut niet in overeenstemming was met zijn karakter. Paarden zijn gevoelige beesten, ze reageren sterk op de kwaliteit van het contact. Ik was bang voor Jochie, ons contact was erbarmelijk. Zodra ik bevend zitting nam op zijn zadel nam hij de boel volledig over, ik had echt helemaal niets in te brengen. Jochie stoof het hek uit, galoppeerde de dichtstbijzijnde heuvel op en remde krachtig op de top. Ik werd steevast gelanceerd. ‘1-0 voor Jochie!’ hoorde ik hem duidelijk briesen. Als ik erg hard gevallen was mocht ik meteen naar mijn oma’s huis, soms moest het wel 8-0 worden. Maar dan kreeg ik lekkere taartjes en vertelde mijn oma grappige verhalen.

Mijn andere oma kon biljarten. Ze was heel klein, maar wilde graag een grote oma worden met putjes in haar bovenarm. Dat wilde trouwens niet erg lukken, het duurde meestal wel even voor ik haar gevonden had achter mijn reusachtige opa. 

Hoe wil ik zelf herinnerd worden, later, door mijn eigen kleinkind? Bijnamen waar ik geen bezwaar tegen zou hebben: oma knutsel, oma zingen, oma boekjes, oma lekkere hapjes, oma lachen. Mijn kleinkind verzint vast iets anders, iets waarvan ik me nog niet bewust ben. Tot die tijd werk ik aan mijn conditie en zet ik wandelroutes uit. Routes met boompjes en beestjes, niet te kort en niet te lang, genoeg zon, genoeg schaduw. Ik doe er goed aan tijdig met dit soort zaken te beginnen. Voorbeeldje. Zet ik gisteren een route uit in park Suytwende, komt er een jonge, hondsdolle mopskeffer op me af gerend. Hij springt op en hangt opeens met zijn kaken aan mijn hand. Het is waarschijnlijk bedoeld als jonge-honden-uitnodiging om te komen spelen, maar ik schrok me echt helemaal dood en bevroor.  Die pech heb ik, dat ik van de drie schrikreacties nou net het bevriezen als aangeboren voorkeur heb. Ik heb nog maar zes weken om daarvan af te komen. Want dat ik vier kinderen door hun jeugd heb weten te loodsen terwijl ik bij elke spannende situatie in een zoutpilaar veranderde, wil niet zeggen dat ik daarmee wegkom als oma. Ik voel een verantwoordelijkheid voor mijn kleinkind die veel verder gaat dan ooit bij mijn eigen kinderen. 

‘Logisch.’ zegt de moeder in de randstadrail, ‘het is niet je eigen kind.’

Klopt, het is niet mijn eigen kind. Ik mag nergens op rekenen, ik moet mijn oma-rol verdienen, ik moet goed mijn best doen. Het is het kind van mijn kind en mijn schoonkind. Het kind waar ik het geslacht nog niet van weet, maar wel vaak over droom. Het kind waar ik een ongekende liefde voor voel.

Oostduin (2)

Vannacht was mijn moeder weer jong en nog helemaal goed. Ik droomde dat we naar Parijs zouden gaan, mijn moeder en ik.  Zij was daar zo enthousiast over dat ik bang was dat het haar zou tegenvallen. Toen ik wakker was, werd mijn angst opzij geduwd door een lichte treurigheid. Mijn moeder heeft geen tegenvallers meer, zonder geheugen heb je immers geen verwachtingen. Vandaag ga ik niet met haar naar Parijs, we gaan naar het kerstdiner in verzorgingshuis Oostduin waar zij met lotgenoten leeft op een gesloten etage.

De kappers van Oostduin hebben alle bewoners onder handen genomen. De geföhnde haren van de vrouwen zijn met haarlak verzekerd van een mooie avond, de snorren van de mannen zijn net zo kaarsrecht bijgeknipt als de haren in hun nek. Mijn moeder is, zoals altijd, blij me te zien. Opgetogen stelt ze me aan andere bewoners voor als haar zus. Ik neem haar mee naar het restaurant waar een heel team klaar staat om een perfecte avond te verzorgen.

Ook bij Oostduin is december een drukke maand. Naast de vaste activiteiten zoals knutselen met kinderen, de schilderclub en het bewegen op muziek zijn er uitjes met de grote bus. Ik was laatst ingeloot en mocht mee als de begeleider van mijn moeder naar een Kerstmarkt.

Mijn moeder ging onbevangen mee, zelf had ik wel degelijk verwachtingen over mijn eerste kerstmarkt. Knapperige live-vuurtjes, tafels met bekers dampende glühwein, deerntjes met kniekousen en hoog opgebolde bloesjes die je van alles mag vragen. Kerstbomen natuurlijk, lampjes, een orkestje met meerstemmige zang, kraampjes vol lokaal gemaakte kadootjes met opbrengst voor een goed doel. Dat. 

Misschien bestaan zulke kerstmarkten wel, maar wij gingen naar de kerstmarkt van Intratuin in Zevenhuizen en dat is andere koek. Ten eerste is het overdekt en afgesloten. Zonder twijfel handig met deze bejaarden die kunnen ontsnappen en dan gevaar lopen, maar het romantische, winterse is er af. Op een echte kerstmarkt trotseer je kou en donkerte, stap je stoer rond met je oorwarmers op. Van de overdekte intratuin met de bakken tropische vissen krijg ik geen ferm gevoel, het is er te warm voor en te gelijkvloers. Intratuin heeft wel zijn best gedaan. Er zijn nepbergen met piepkleine sneeuwhuisjes, een werkende mini skilift met lachende poppetjes. Je kunt mee in een treintje dat heen en weer rijdt tussen de Nordmannen en de orchideeën. Uit het plafond komt triangelgeluid, de self-service restauratie schenkt chocolademelk.

Mijn moeder had geen belangstelling voor de miniatuur wintertaferelen, het enige dat haar nog echt interesseert zijn kinderen. Nu liepen er bijzonder weinig rond, die dag in de Intratuin. Bij een stukje nagebouwde Efteling kwam alles weer goed. De pratende kabouters in kinderformaat waren voor mijn moeder levensecht. De geringe variatie in teksten van de poppen zat haar niet in de weg. Zelf babbelde ze onafgebroken terug. 

Nu, aan de kersttafel van Oostduin, is ze aanmerkelijk stiller. De avond wordt afgepept door operazangeres Marijke met pianist Jos. De kerstliederen zijn bedoeld om mee te zingen, maar daar is Marijke’s stem te overweldigend voor, we luisteren. Tussen de nummers door vertel ik mijn moeder over mijn droom. Ze heeft geen idee waar ik het over heb. Maar als ik haar schets hoe ze ooit met mijn dochter naar Parijs is gereisd, laat ze zich tegen de rugleuning van haar stoel vallen. Ze sluit haar ogen en huivert. Als ze haar ogen opent glanzen ze, alsof ze even heeft gehuild. Misschien was er achter de schermen toch iets van een herinnering, niet meer in beelden, alleen een gevoel. 

Haar ogen zoeken in de zaal, vast naar die van mij. Voor ze die gevonden heeft, zingt Marijke haar met ‘Ave Maria´ terug in haar lethargie.

Ellectiones

In Buenos Aires tijdens de presidentsverkiezingen per ongeluk in een rel terecht komen, daar kunnen we morgen thuis mee aankomen. We helpen het lot een beetje, tussen de wandelingen door doen we steeds de Plaza de Mayo aan. Plaza de Mayo, dé place to be. Het plein vóór het Casa Rosada, het klinkt als de naam van een goed lopend bordeel, maar is toch echt het werkpaleis van de president. Het plein waar de dwaze moeders door stug rondjes te lopen aandacht van de wereld kregen voor de verdwijningen in Argentinië. Het plein dat nu zwaar bewaakt wordt met gevulde politiebussen en gewapende soldaten. Sommige brede straten die uitkomen op het plein zijn al afgezet, alles is geprepareerd voor aankomende hommeles.

Dat er om 11 uur nog niks te beleven is, daar kunnen we inkomen. De meeste mensen moeten nog stemmen. We bezoeken El Ateneo Grand Splendid, volgens de National Geographic de mooiste boekhandel ter wereld. De boeken zijn opgesteld in de zaal en de balkons van een voormalig theater, op het podium kun je koffie met een taartje krijgen. We zijn een tijd zoet op de kinderafdeling. Er wordt veel uitgegeven, de keus tussen prachtig geïllustreerde boeken is enorm, ik heb het er maar moeilijk mee.

Terug naar de Mayo, maar daar is nog altijd alles rustig. Met een gerust hart gaan we een paar uurtjes naar Palermo. We hebben er nu een paar keer ‘s avonds gegeten, bij daglicht heb ik het nog niet gezien. In alle rust bekijken we de hippe huisjes, er is geen kip. De winkeltjes zijn gesloten, de horeca niet maar ook daar is het rustig. Is iedereen naar het centrum, zit men thuis voor de buis? We passeren verschillende stembureaus, er zijn weinig mensen. 

We vinden een lunchtentje met salade Birkin, salade Bardot, salade Kelly en dan opeens salade Ursula, gelukkig de duurste. F ondervraagt de ober. Wat verwacht hij aan onrust als de uitslag bekend is? De ober doet vaag. Zelf worden we opeens wel onrustig, misschien is er van alles gaande in het centrum, misschien zijn ze begonnen zonder ons. We pakken een taxi en laten ons weer naar de Mayo brengen. 

Nee, daar is nog steeds niks aan de hand. We gaan even op de zachte boontjes liggen die uit de palmen in het chillgras zijn gevallen, dan lopen we verder naar San Telmo. Aha, híer is iedereen! Op de lange hippie-markt is lekker druk, en horen we nou een schietpartij in de verte? Het is een looporkest met trommelaars dat onze kant uitkomt. Hè, hè, leven in de brouwerij. We lopen langs de kraampjes met speelgoedjes, mattee-bekertjes, sieraden, gehaakte vestjes. Jammer dat ik niks wil hebben. Het orkest komt dichter onze kant uit, het wordt begeleid door dansende jonge vrouwen, heerlijke opzwepende muziek, knetterhard. 

We zijn helemaal in de stemming voor een lekker fris biertje. De drooglegging is gisteravond ingegaan maar bij de proeverij in Il Latino konden we gewoon nog een wijnarrangement boeken, dus het zal hier ook zo’n vaart niet lopen. We zitten aan de kant van de straat bij het open raam. De ober legt uit dat bier en wijn teveel opvalt. Cola met een tic is geen probleem, of hebben we trek in een als limonade gemaskeerde cocktail?

‘s Avonds na het diner proberen we nog één keer de Mayo. Een handjevol mensen met wapperende vlaggen, dat is alles. Het zijn nog voorstanders van de peronisten ook en die gaan winnen. We kunnen er zonder problemen langs, we kunnen rustig een praatje met ze maken. De politie heeft het ook opgegeven, de straten zijn weer open, in de bussen wordt getoept. Wij geven ook op, dit wordt niks meer, we wandelen naar het hotel. 

Onder de overkappingen van de winkels op de Avenida del Libertador liggen de zwervers achter elkaar te slapen als in een trein. Allemaal hebben ze ooit, ergens in deze geweldige stad, een dik matras en een deken bemachtigd. Sommigen slapen alleen, anderen met zijn tweeën, een paar met een hond. In de laatste wagon ligt een meisje. Haar rolstoel ligt ingeklapt achter haar matras, zij ligt met haar hond onder de deken. Ze kijkt even op als we langslopen, een prachtige meid. Waar zou ze over dromen vannacht? Over de honderd miljard staatsschuld van haar vaderland, over de kansen die de nieuwe president heeft in de onderhandelingen daarover met het IMF? Het gaat zeker wat betekenen voor haar leven, maar hopelijk ligt ze er niet lang van wakker.