Lock-downtjes

‘Je lachte in je slaap vannacht’, fluistert G in mijn oor en brengt me terug in mijn droom.

Ik zit op mijn knieen op een spiegelgladde zee van grijs linoleum. Her en der speelt een kind, verder is het helemaal leeg. Ik zet mijn handen voor me op de grond zet en roetsj me zelf naar voren. Steeds langere stukken, steeds sneller. Plat op mijn buik ga ik nóg harder, het is goddelijk. 

‘Dit kunnen jullie ook!’, roep ik naar de kindjes als ik voorbij flier.

Wat een heerlijke nacht, een tegemoetkoming voor mijn gemis. Wij bieb-(groot)ouders mogen al een paar weken niet meer naar binnen, ik mis mijn werkje in het hart van het Montessorischooltje waar ik uitleen, inneem of verleng. Het leukste is het als er geen werk aan de winkel is en ik ongestoord het gedoe van de kinderen kan bekijken. Vlak voor mijn balie is de kapstok van de onderbouw en daar gebeurt het. Tijdens het jassen aan- of  uittrekken vinden alle peilingen en onderhandelingen plaats, worden vriendschappen gesloten of juist de messen geslepen en de machtsverhoudingen bekrachtigd. De juffen die boven dit gedoe uitsteken en proberen orde te houden, hebben niets in  te brengen. Kinderen zijn met elkaar bezig, daar heeft de juf niks mee van doen.

Fysiotherapeute Y waarschuwt me voor de rechterdeur, er zijn al legers mensen van het keldertrappetje gevallen. De deur naar de kelder zit naast die van het toilet.  

‘Waarom plak je geen afschrikwekkende plaat op die deur?’, vraag ik, ‘Veel mensen hebben moeite met links-rechts instructies. Ik bijvoorbeeld.’

Y zegt dat ze blij is met mijn suggestie, maar of ze echt iets onderneemt? De keldertrap creëert ook weer clientèle. Gelukkig lapt ze mijn rug net genoeg op zodat ik einde van de aansluitende boksles kan halen. Voorlopig de laatste, maar dat weet ik dan nog niet.

‘Dat vind ik nou niet leuk van je!’, zegt boksleraar D. Hij dook opeens op achter de Nieuwe waar ik tegen moest vandaag. Ik liet haar net zien hoe je een hoge stoot plaatst en ja, dan moet je als boksleraar niet net daar gaan staan waar mijn handschoen uitkomt. Hoe hij het voor elkaar gekregen heeft snap ik trouwens niet want D is zeker 20 cm korter dan ik. Dat doet overigens niets af aan zijn verschijning: 70 jaar, maar de spiermassa van een os en de stem van een kraanmachinist.

‘Hou je er niet van geaaid te worden?’, vraag ik.

Hij spert zijn ogen even open, bijna verleid ik hem mee te gaan in míjn verhaal. Dat kan best leuk worden tenslotte, geaaid worden door een leerling. Maar hij kiest voor het drama dat hij  wel vaker opvoert. Hij negeert mijn vraag, grijpt naar zijn voorhoofd en loopt waggelend een paar stappen bij me vandaan.

‘Oppassen, hè’, zegt hij tegen de Nieuwe, ‘zij is een tijgertje, hè!’

De Nieuwe weet dat dat een leugen is. Ze heeft allang door dat ze zelf veel hardere stoten geeft dan ik. Een tijgertje, ha!, was ik dat maar. Ik ben een lammetje, daar veranderen een paar bokshandschoenen niks aan.  Maar ik kan wel beter onthouden dat je eerst met links moet slaan en dan pas met rechts. En dat is heel wat voor iemand die helemaal niet weet waar links en rechts zit. In de boksles heb ik daar een truc voor. Dat gaat zo: ik kijk af bij een andere leerling welk been voorstaat en dat doe ik na. Vervolgens hoef ik alleen nog maar te onthouden dat ik telkens met de kant van het voorste been moet beginnen. Een kind kan de was doen, maar dat ga ik de Nieuwe mooi nog niet verklappen. 

Aan het eind van de les zegt D: ‘Ik heb onze sponsor gesproken, hij laat jullie weten dat hij trots is op jullie. Hij is nu een beetje druk, maar binnenkort krijgen jullie t-shirts!’

Ik hoor voor het eerst dat we een sponsor hebben, wie zou dat in Godsnaam zijn? 

Laat ik het niet meteen vragen, dat doe ik volgende keer wel als ik een week heb kunnen speculeren over de identiteit van de weldoener die zijn geld steekt in boksende lammetjes. Willem Alexander? Max Verstappen? Maarten van Rossum?

‘s Avonds leer ik dat ik de tijd kan nemen, de lock-down streept ook de boksles door.  

‘Ik zou maar hier blijven’, probeer ik. Ik heb mijn oppasjongetjes de hele dag, ook zij mogen voorlopig niet naar school. Het is mooi weer, we zijn net de heuvel in het park opgeklommen voor een roetsj van de grote glijbaan als we worden verrast door een enorme knal.  

‘Ik zou maar hier blijven’, maar J en F zijn niet gek. Ze hollen naar het groepje jongens dat net de bom heeft afgestoken. Gelukkig hebben J en F genoeg ontzag voor het illegale vuurwerk om halverwege de heuvel te stoppen met draven. Hier zien ze genoeg. Daar staan de twee broertjes. Hun fietshelmen nog op, hun leven nog voor zich. Wat zouden ze denken? 

Vast niet dat het misschien het laatste jaar is dat het nog makkelijk kan, illegaal vuurwerk verkrijgen. J en F moeten later andere dingen bedenken om het leven op te leuken. Maar ooit vertellen ze met krakende stem aan hun kleinzoon: ‘Toen opa zo oud was als jij, hè, toen mochten we wekenlang niet naar school. De grote jongens kochten bommen en staken ze in de fik. Een knal dat dat gaf! Jajaja, het mocht niet, hè, maar de grote jongens deden dat toch en opa stond erbij!’

Voetbalschande

‘Ursula, heb jij vroeger iets gebroken?’, vraagt mijn oppasjongetje F. Hij is vijf jaar oud, zijn gedachtegang is nog transparant. Niets heeft hij aan mij in de strijd tegen zijn oudere broertje en diens virtuoos voetballende vriendje: ik laat alle ballen door en mijn passes belanden buiten de lijn. Ik had F wel gewaarschuwd, maar dat ik écht zo slecht ben als ik beloof, is toch een teleurstelling. Hij biedt me evenwel een ontsnapping aan eeuwige schande met zijn vraag. 

‘Of ik vroeger iets gebroken heb?’, rek ik. 

Ik groeide op met voetbal. Tijdens mijn puberteit woonde ik samen met twee mannen voor wie voetbal heel belangrijk én beschikbaar was: de voetbalclub was aan het einde van onze straat. Mijn broer speelde in de selectie en mijn vader was er voorzitter. Onze gang was nooit vrij van stukjes ingedroogde plag. 

Mijn vader’s weekend begon vroeg: zijn eerste taak was het openen van het ballenhok. De hele dag maakte hij zich nuttig op de club en bekeek in ieder geval de wedstrijden van het eerste en mijn broer. Aan het eind van de middag keerde hij terug naar huis om macaroni te bereiden, immer in een opperbest humeur. De zondag verliep niet anders dan de zaterdag met als toef op de taart Studio Sport met een bord op schoot. 

Ik viel er buiten, het voetbalgebeuren, het interesseerde me geen bal. In het weekend had ik zo mijn eigen bezigheden. Tijdens Studio Sport maakte ik wiskundesommetjes tot het tijd was voor ‘All in the family’. Toen ik zestien werd kwam er opeens toch voetbal in mijn leven. Ik stemde in met mijn vader’s voorstel en werd de helft van een leidstersduo van een miniwelpen-elftal. Met mijn compaan, ook zestien en net als ik de ballen verstand van voetbal, kon ik goed uit de voeten. We waren het snel eens over speltactiek en aansturing van de spelers. 

Miniwelpjes spelen op een half veld en leiders bewegen zich, net als de scheids, tussen de spelers. Wij vonden dat alle jongetjes moesten aanvallen. Onze belangrijkste taken waren duimen uit monden trekken en de jongetjes liefdevol om hun as  draaien totdat ze het goal van de tegenpartij in het vizier kregen. Daarna was het voldoende om ‘Hup, Dennis, naar voren!’ te roepen. 

‘Gebroken, even denken’, houd ik F aan het lijntje.

Hij kijkt mij aan, de lange zwarte wimpers geven geen enkele slagschaduw aan het blauw: hij verveelt zich nog niet. Trek ik die pleister er in één keer af en vertel ik de waarheid? Of gun ik mezelf enige eer en verzin ik een breuk bij een van mijn smakken? Ik heb er genoeg gemaakt. Deze zomer nog liep ik drie weken met een schaafgezicht na een familie-hardloopwedstrijd op het Harderwijkse strand. Een sliding tijdens een straatpotje rugby in Groningen maakte van mij een smurfenvrouw. Met een grote boog landde ik op mijn rug in de Amsterdamse goot omdat een automobilist zich vergiste in de maten van zijn auto en mijn fiets. Maar de waarheid is: meer dan een teen heb ik aan mezelf nooit gebroken in mijn leven. 

F en mijn ego zijn beide beter af als er een serieuze breuk op tafel komt. Ik hoef er alleen maar voor te overdrijven.  

‘Ik ben zó vaak gevallen’, neem ik een aanloop.

‘Ja?’, F’s pupillen dijen uit.

Moet hij er de dupe van worden dat het niet goed afliep bij de mini-welpjes? De jongetjes waren geweldig, hun ouders echter bloedfanatiek en laten die nou een compleet andere visie hebben op taktiek. Zij wilden dat wij de groep verdeelden in aanvallers en verdedigers en liefst dat we ook wat middenvelders en spelverdelers zouden aanwijzen.  Iedere pauze weer leidde het tot gedoe in de kleedkamer. Mijn compaan en ik gingen de discussie aan. Waren wij niet voor de poes, de ouders al helemaal niet. Na één seizoen bakkeleien gaven we het op en nam een van de ouders het van ons over. Mijn vader misbruikte zijn voorzitterspositie niet om in te grijpen op dit onrecht, zo wijs was hij wel. Maar tussen mij en voetbal is het nooit meer wat geworden. 

‘Ik heb nooit iets gebroken. Maar sinds vorige week zit ik op boksen, dus dat gaat helemaal goedkomen’, beloof ik F. De lange wimpers klappen even dicht, zijn linkermondhoek trekt op. Goddank, zijn oppas is geen minkukel, ze doet aan martial arts en loopt binnenkort heus wel met een stuk gips. Ik neem me voor een flink stuk te reserveren zodat F er een van zijn ninja’s op kan tekenen. Hij geeft me een high five, wijst me mijn plek op het veld aan en holt met de bal naar de middenstip. 

Onzichtbaar

‘Stel je eens voor hoe het is als je constant in de gaten wordt gehouden’, zegt de vader van mijn oppasjongetjes. Hij geeft me de tijd om mijn geestesoog in werking te zetten en geeft dan zijn eigen conclusie: ‘Dat is gewoon afschuwelijk!’. 

Het komt uit zijn tenen. Zelf is hij opgegroeid op het Friese platteland. Mijn nu geactiveerde verbeelding showt dat hij hele middagen zonder toezicht in de weilanden speelde en op het water met zelfgebouwde bootjes near death ervaringen opdeed, heerlijk allemaal. 

Ik snap precies wat hij bedoelt: zijn zoontjes zitten continu in de gevangenis. Elk moment van de dag zijn er waakzame ogen van volwassenen als camera’s op ze gericht: op school, bij de BSO, bij de sportclub en door de oppas. Ze krijgen geen ruimte om te ontsnappen. Overal volwassenen en het ergste is nog dat ze voortdurend ingrijpen. Want kinderen mogen geen dingen slopen, geen ruzie maken, niet vallen.

Nu wil ik als oppas nog steeds de boel in de gaten houden, ik moet er niet aan denken dat er iets kapot gaat aan het huis of aan de kinderen die mij zijn toevertrouwd, maar liefst ben ik daarbij onzichtbaar. Dan hoef ik tenminste niet altíjd in te grijpen. Nu valt onzichtbaar zijn niet mee. Áls het al lukt is het maar van korte duur en kan iedereen mij op de meest onhandige tijdstippen opeens weer zien. Zo was ik laatst als enige vergeten weg te hollen toen mijn oppasjongetjes bezig waren met belletje lellen. Toen de getergde buurman de deur opende was ik opeens weer zichtbaar en had geen verhaal klaar. 

Het meest gevaarlijk zijn de momenten waarop kinderen zich vervelen. Dan worden ze creatief, bedenken ze gevaarlijke dingen of geven ze volwassenen een rol in hun spel. Als ik mee moet doen, kan ik mijn onzichtbaarheid helemaal vergeten. 

Toen ik nog niet zoveel ervaring had als oppasser voelde ik me vereerd als ik werd uitgenodigd voor een spel. Ik deed mijn best een hele enge heks te zijn (voor mij toevallig erg makkelijk) of een virtuoos voetballer (een stuk moeilijker al) of een behendige bediende. Ik was trots als mijn inspanningen gewaardeerd werden. Nu weet ik beter: als ik asap ongezien wil zijn moet ik heel traag, niet grappig en juist wel onhandig doen. Daar zijn kinderen heel snel klaar mee. Eerlijk als ze zijn negeren ze me dan en ben ik, floep, weer weg.

Mijn kleinzoon denkt als het ‘s avonds als het donker wordt vaak na over zijn opa. Dan wijst hij op de telefoon van zijn moeder en zegt: ‘Apo!’ Omdat ze een lieve moeder is, roept ze mijn levensgezel op voor een video-gesprek. Ik wurm me ook voor het scherm. Dit zijn de momenten waarop wij tot leven komen en grappige scènes opvoeren om kleinzoon te amuseren. Maar hoe grappig en afwisselend onze avondshow ook is, op een gegeven moment heeft de kleine man er genoeg van en zegt: ‘uit!’: het teken dat zijn moeder de chat mag beëindigen.

Gelukkig gaat ze daar verstandig mee om. Het zou niet goed zijn, denk ik, als ze ons onmiddellijk wegdrukt. Ik weet niet wat kleinzoon daarvan zou opsteken, maar het kan niet gezond zijn dat een kind denkt dat hij met één woord zijn grootouders kan laten verdwijnen. Mijn dochter geeft ons de gelegenheid om te doen of het initiatief voor het afscheid nemen bij ons ligt. We wensen hem mooie dingen toe en geven een heleboel kushandjes voor we het beeld stopzetten.

Gisteravond belde kleinzoon toen we bij vrienden aan het eten waren. Apo filmde alle aanwezigen die natuurlijk ‘Hallooo’ riepen en enthousiast zwaaiden. Kleinzoon schrok zich wild, opeens zaten Apo en Aam niet meer met zijn tweetjes in de telefoon, er waren wildvreemden bij. Kleinzoon riep wel drie keer: ‘Uit!’.

En nu is het al heel laat, er is nog niet gebeld. Ik had net leuke dansjes, liedjes en sketches ingestudeerd. God, wat duurt zo’n avond lang als je maar zit te wachten met je lollige hoedje op en jee, wat kriebelt zo’n plakbaard. Ik wil hem net afrukken als tóch de telefoon gaat. Yes, twee nieuwsgierige oogjes van kleinzoon vullen het beeldscherm. We zijn niet meer onzichtbaar, we bestáán. 

Demonstreren

Als kinderen leren door hun ouders te observeren, ben ik grootgebracht met links fatsoen. Door de week fietste mijn vader naar Binnenlandse Zaken om slimme dingen te bedenken die Brussel kon opleggen aan Europa. Zijn weekenden kenden meer variatie. In de zomer, als ik met mijn moeder en broertje terugkwam van het strand, zat hij wel eens met zijn vrienden in een kring op de grond in onze huiskamer. Een serene sfeer: cordudoy jasjes, lange jurken, zachte Beatlemuziek uit de zelfgebouwde speakers en het geluid van de diepe inademing van degene die aan de beurt was voor een hijs aan de grote sigaret. In andere weekenden nam hij me mee als hij ging demonstreren tegen de aanleg van snelwegen of andere narigheid. Of ik nou achterop de fiets zat of zelf moest lopen, ik had het naar mijn zin. 

Mijn moeder bedacht wat ik en mijn broertje moesten antwoorden mochten we bij zo’n protest geïnterviewd worden voor radio of TV. Ze repeteerde met ons tot het er natuurlijk en zelf-bedacht uitkwam. Dat vóórzeggen lag haar trouwens goed, later heeft ze daar haar beroep van gemaakt. Bij een duinenmars met spandoeken moest ik tegen de interviewer zeggen die mij zou vragen waarom ik meeliep met de demonstratie: ‘Ik wandel hier elke zondag met mijn ouders. Vandaag is het wel erg druk.’

Mijn moeder weet dit niet meer, haar geheugen is verdwenen. Ze begrijpt niet meer genoeg om mee te kunnen lachen als ik haar vertel over mijn herinneringen. En ook met mijn vader kan ik het niet meer bespreken: ruim een halfjaar geleden verruilde hij het aardse voor een welverdiende hemel. Soms vergeet ik dat even. Als er iets leuks gebeurt denk ik nog steeds wel eens ‘dat ga ik zo aan mijn vader vertellen’. En dan weet ik het weer, dat dat niet meer kan. Omgekeerd wel. Het verblijf in de hemel belet mijn vader natuurlijk niet boodschappen te sturen die rechtstreeks op mijn gemoed werken. Krachtige boodschappen zoals hij ze ook bij leven zond. Zoals vanochtend. Of ik al heb bedacht hoe ik mee ga doen aan de klimaatmars. Niet óf ik meedoe, nee, hóe! 

Hij heeft makkelijk praten, mijn vader, hij hoeft niks meer en kan de hele dag muziek maken met zijn goede vriend J die vast blij was dat hij mijn vader afgelopen maart kon begroeten. 

‘What took you so long?’, vroeg J aan mijn vader (in de hemel wordt voornamelijk Engels gesproken). 

‘Long?’ Mijn vader legde uit dat hij de zeven weken tussen weten dat hij moest gaan en het daadwerkelijke vertrek meer heeft ervaren als een sprint en de achterblijvers ook. J had dat soort sentimenten allang achter zich gelaten. Hij zat klaar achter zijn cimbaal en reikte mijn vader zijn viool aan. 

Maar ik ben nog hier en moet natuurlijk echt iets met het protest op 6 november. Ook los van mijn keurige opvoeding vind ik dat er veel te weinig gebeurt om onze rotzooi op te ruimen. Op de juiste partij stemmen is duidelijk niet genoeg. Meelopen in de mars is helaas niet te doen voor een claustrofoob. In ‘83 redde ik het protest tegen de kruisraketten nog net omdat we vrienden hadden in de Grote Marktstraat waar ik even bij kon komen, maar op zoiets kan ik in Amsterdam in ‘21 niet rekenen. Communiceren met de hemel is éénrichtingsverkeer, hè, mijn vader stuurt mij berichten als hij even niet aan het musiceren is, maar mijn replies komen niet aan. Op aarde is er gelukkig Oxfam Novib en die heeft een oplossing: virtueel meelopen. Ik hoef alleen maar een foto in te leveren van mijzelf met een spandoek. 

Dat klinkt gemakkelijk, maar hoe ging dat ook alweer, een spandoek maken ? Wacht! Op zolder liggen diverse tassen uit het ouderlijk huis die ik nog uit moet zoeken. Tot nu toe vond ik geen plek in mijn hoofd en hart om ze te openen, maar nu durf ik misschien wel. Mijn vader had last van bewaarwoede, ik heb goede hoop dat ik een spandoek uit de jaren zestig tegenkom. Misschien vind ik zelfs een hele stapel, keurig opgevouwen en gesorteerd op datum met van die briefjes ertussen, beschreven met blauwe inkt in zijn keurige handschrift. Ja, ik zal vanavond of morgen even naar zolder.

‘Ga nú maar’, hoor ik, ‘Zes november, dat is nog minder dan zeven weken en die zijn zo om, hoor.’ Het is zeker pauze in de hemel.

Aam

Sinds kort heet ik Aam. Kleinzoon heeft dat zo bedacht en ik gedraag me er ook naar. Een Aam loopt niet, zij schrijdt. Een Aam eet niet, zij dineert. Als Ursula struikelde ik me door het leven: berinnen, al zijn ze klein, hebben een dikke vacht en voelen niks als ze iets raken. Zo gaat dat met namen: je groeit erin, je wórdt het. Mijn levensgezel heet nu Apo en ook hij transformeert: hij is verdomd lenig opeens en maakt nóg meer grapjes. Ik moedig hem aan nu ik zelf doorheb wat er allemaal bij komt kijken, een nieuwe naam. Mijn eetgewoontes veranderen en als ik mijn kledingkast open hangt er niks meer in dat mij staat.

‘Uitgesloten’, zegt kapster J. Haar handen die ze maar niet stil kan houden, draaien nu nog sneller rondjes over haar dikke buik. Nog drie weken moet ze knippen en föhnen, dan mag ze met verlof. Ik vroeg of ze niet wat haar kon wegknippen aan de zijkanten van mijn gezicht. God vergiste zich toen hij de haren uitdeelde, hij plantte mijn dos achterstevoren op mijn hoofd. Mijn haren doen hun best mijn gezicht te bedekken omdat ze denken dat het mijn achterhoofd is. De oplossing om mijn medemens aan te kijken heeft mijn moeder bedacht toen ik nog een dreumes was: een pony. Ik ben eraan gewend dat de slierten aan de zijkant van mijn hoofd continu in gevecht zijn met mijn pony, maar recentelijk wonnen ze wel erg veel terrein. Voor Ursula is dat geen probleem, voor Aam ligt dat anders.

J is onverbiddelijk: slierten wegknippen aan de zijkanten is geen gezicht. Ze zucht en doet haar ogen dicht als ze mijn smekende blik in de spiegel ziet. 

‘Wat ik wél kan doen’, zegt ze. Ik houd mijn adem in, wat heeft ze bedacht?

‘Wat ik wél kan doen is de pony hoger laten beginnen’, zegt J en zonder mijn antwoord af te wachten kamt ze haren naar voren en zet er, ráng!, de schaar in. Een gordijn aan zwarte versgeverfde franje valt op mijn gympies. 

Het effect is boven verwachting, ik heb weer een gezicht! De pony is nu langer én breder, precies wat ik bedoelde.

‘Hoe gaan wij overleven in de vier maanden dat jij thuis zit, J?’, vraag ik. 

‘Vijf maanden’, zegt ze.

Ik verlaat de kapperszaak en stroom mee met de winkelende plaatsgenoten in de richting van het gemeentehuis. Ik ben een vrouw met een missie. Ursula wil haar terugkerende droom over een spelletjeshonk voor jong en oud realiseren in de randstad. Ze denkt aan een keten met nummer één op loopafstand van haar eigen huis. Ze heeft een lijst aangelegd met geschikte locaties, de eerste contacten zijn al gelegd. Aam zit anders in elkaar. Ook zij wil het spelletjeshonk, maar liever dropt ze het idee op een vruchtbare plek en laat ze de realisatie over aan anderen. Teveel initiatief is levensgevaarlijk. Zometeen krijgt ze nog een rol als toezichthouder, moet ze bezig met aansprakelijkheidsverzekeringen of erger, moet ze consumptiebonnen uitreiken!

Aam beschrijft haar idee op een formulier van de gemeente, levert Ursula’s lijst van geschikte locaties erbij en gaat op het bankje bij de ruziënde eendjes zitten. Nu de slierten weg zijn blijkt er zoveel meer te beleven en ze hoeft er niets voor te doen. 

Spelletjeshonk

‘Neemt u de tijd’, zegt de eigenaar van slaapboerderij Grenzeloos. Hij verlegt zijn evenwicht naar achteren tot hij tegen het zadel van zijn fiets rust en draait zijn blozende wangen naar de zon. Deze ‘neem de tijd’ is oprecht: we zijn in Drenthe. Gelukkig maar, want we doen er inderdaad even over voor we onze slordig ingepakte spulletjes hebben verzameld en de stramme ledematen van voldoende bloed hebben voorzien om uit de auto te klimmen. Het is ver weg, Drenthe, maar dan ben je ook ergens. 

‘Heeft u alles?’, vraagt de man, hij prikt in zijn wangen die nu knalrood zijn. Ik maak een gebaar van insmeren en hij knikt: ‘Ik weet het. Mijn vrouw hamert daar ook steeds op, maar ik word steeds afgeleid door met mijn ideetjes.’ 

Hij gaat ons voor, laat zien hoe het sleutelkastje werkt zodat we dag en nacht de boerderij in en uit kunnen. Handig, want we zijn in deze contreien om vrienden te bezoeken die een vakantiehuis verbouwen. We hoeven niet te helpen, we hoeven alleen maar gezellig te doen omdat ze toe zijn aan een break. Ons aanbod te barbecue de verzorgen wuiven ze ook al weg. Ook dat is boffen, ze koken veel beter dan wij. 

‘Hier kunt u zelf koffie zetten of een ander drankje nemen, wat u maar wilt. Vergeet het alleen niet aan te kruisen op uw kaartje’, wijst de eigenaar naar de bar net voor zijn vertrek.

‘Kaartje? Heb jij een kaartje?’, vraag ik aan mijn levensgezel G maar die is te druk met het bekijken van de biertap. Ik haal mijn schouders op en trek de koelkast open. Verdomd, ik zie een citroen (onze bijdrage aan de barbecue), dat scheelt weer een zoektocht naar een Appie. 

‘Drenthe is mijn lievelingsprovincie’, zeg ik tegen G die een glas pakt en om de stalen pijp van de tap houdt.

‘Pssssst’, bruist het witte schuim netjes op de gele vloeistof. G draait het glas om zijn as en laat de kraan los op het moment dat hij één keer rond is: het glas is precies vol. Ik laat hem en loop het gangetje in. Daarachter moet de ontbijtzaal zijn, ik duw de deur open. Mijn adem stokt. Deze ruimte ken ik! Ik kom er vaak als hij gevuld is met met mensen, jong en oud. Nu is de ruimte donker en leeg.

Ik heb een terugkerende droom. Ongeveer twee keer per week droom ik dat ik een soort Grand Cafe binnenloop. Er zijn kleine tafels voor twee personen maar ook grotere tafels voor vier en zes, precies zoals in deze ontbijtzaal. De meeste tafels zijn bezet, er worden bordspelletjes gespeeld. Ik zie een opa schaken met een kind van de basisschool, aan een andere tafel wordt gescrabbeld. Volwassenen én kinderen buigen zich over Azul, Tickets to Ride, Codenames. Ik voel de concentratie van de spelers, maar er wordt ook gelachen, opgelucht ademgehaald, overwinningen behaald. 

Ik loop de ruimte in. Aan de zijkant staat een kast die helemaal gevuld is met spelletjes, mensen van alle leeftijden staan er naast met een doos in hun hand. Naast de kast hangt een schoolbord met een schema. Ik snap direct hoe het werkt. Ik schrijf mijn naam op en zet nog wat kruisjes in het diagram. Niet veel later word ik dan opgehaald door een meisje van een jaar of tien en completeer ik een tafel voor vier. Soms spelen we een spel dat ik al ken en soms is het iets nieuws. Ik win in ieder geval altijd en ontwaak volkomen tevreden en uitgerust.

‘Kom eens kijken naar mijn spelletjeshonk’, roep ik mijn geliefde. Hij komt rustig aangekuierd met een halfvol glas in zijn hand, een beetje schuim op zijn bovenlip.

‘Je gaat toch niet weer over je droom beginnen, hè?’

‘Hij komt uit!’, zeg ik, ‘Hij bestaat, mijn spelletjeshonk. Zie je de tafels? En het schoolbord en de kast?

‘Nu de mensen en kinderen nog’, zegt G en leegt zijn glas, ‘Kom, we gaan barbecuen.’ 

Net als we de deur uitstappen komt de eigenaar weer aan met nieuwe gasten. 

‘Die ontbijtzaal…’, begin ik. 

‘Het is toch keurig opgeruimd, hoop ik?’, zegt hij, ‘Ik verhuur het twee keer per week. Ze laten het niet altijd even netjes achter, maar ze hebben zo’n plezier’.

Hij houdt de deur open zodat G en ik zonder gedoe naar buiten kunnen.

‘Laten we verhuizen’, zeg ik. 

Gevangen

Geen idee waar ik mijn verwachtingen heb opgedaan, maar verbaasd ben ik als ik mijn auto moet uitkomen bij de testlocatie in de Ketelstraat in Den Haag. Ik moet gewoon lopend naar binnen en mijn rijbewijs tonen bij een loket. De knul achter het raam keurt het goed, hij geeft me een folder mee voor thuis en wijst me een gangetje met een morsig plastic gordijn. Alsof ik een afspraak heb in een illegale abortuskliniek uit de jaren vijftig. Direct achter het plastic gordijn is een heel kleine ruimte zonder deuren en ramen.  Twee stoelen, een tafeltje met een doosje met reageerbuisjes en een vrouw in een witte jas die me sommeert te gaan zitten. Nu gaat het gebeuren, over een paar minuten heb ik eindelijk aan den lijve ervaren wat het betekent: een officiële Corona test. Tot nu toe ben ik de enige ongeteste die ik ken, maar de vrouw in de witte jas gaat me verlossen van deze status: ‘Ik ben Cora, aangenaam’. 

Ze tovert een staaf tevoorschijn zo lang als haar ellepijp. Ze zwaait ermee, vlak voor mijn gezicht: ‘Deze stop ik eerst in uw keel en dan in uw neus. Als ik hem op de juiste positie heb tel ik tot drie!’  

‘Wat doet u als er hier brand uitbreekt?’, vraag ik.

‘Dan maak ik toch eerst deze test af’, zegt ze en duwt mijn hoofd naar achter. Mijn mond opent van verbazing, onmiddellijk plaatst ze de staaf in mijn keel. Voor ik kokhalzend weer naar voren buig steekt ze de staaf in mijn neus: ’Eén, twee, drie!’

In één soepele beweging verwijdert ze de staaf, trekt ze me omhoog en geeft me een duwtje terug het gangetje in. De jongen achter het loket zwaait met zijn telefoon en roept over mijn hoofd: ‘14.8! Een pé-èrretje, Cora!’ 

Een beetje verdwaasd stap ik weer in de auto, neem mijn gezicht in handen en schud het een paar keer heen en weer. Is het echt gebeurd of droom ik? Nee, het is allemaal echt. De Ketelstraat is echt, Cora is echt en zelf ben ik echt. Als geteste start ik de auto toch anders dan als ongeteste, dat is gek, maar echt waar. Ik adem dieper, ik voel mijn stoel beter onder mijn zitvlak en ja, ik houd het stuur toch echt wat steviger vast. Zo, nu snel naar huis om te bidden dat de uitkomst negatief is. De Ketelstraat belooft de uitslag binnen 48 uur te onthullen. 

Thuis lees ik in de folder dat ik het huis niet uit mag en dat ik afstand moet bewaren tot mijn huisgenoten. Ik heb er nog maar één en die kan ik normaal best een tijdje met rust laten. Maar gek, nu ik er niet aan mag komen krijg ik daar juist bijna onbedwingbaar veel zin in. Bijna net zo veel zin heb ik om naar buiten te gaan. Mijn vaste ommetjes naar de kinderboerderij, de leuke boodschapjes, het mag allemaal niet. Misschien wel twee dagen lang niet. Of nog veel langer niet, als ik positief ben.

De symptomen, de loopneus en het hoesten, zijn verdwenen. Die zijn met Cora’s staaf uit mijn systeem getrokken. De zon schijnt zoals hij de hele zomer nog niet heeft gedaan. Aangeslagen zit ik voor het raam en kijk naar al die vrije mensen en kinderen die maar doen waar ze zin in hebben op straat. Weten ze wel hoeveel mazzel ze hebben?

Aan het eind van de middag verlaat mijn levensgezel het huis om in de dorpskern te borrelen met zijn vrienden. Ik wuif hem na en probeer te lachen. Daar gaat hij, op weg naar plezier en vrijheid. Er is een festival in het dorp met dans en muziek. En drank. Ik zucht nog maar eens en check weer mijn mail. Geen nieuws uit de Ketelstraat. 

Een vriend belt, hij leeft mee, heeft zelf ook ooit gevangen gezeten. Ik bied hem mijn kaartje aan voor het concert vanavond in de Grote Kerk: ‘Ik kan toch niet. Ga jij!’ 

Maar hij heeft hard gewerkt vandaag, te moe. Ik hang op en check nog maar een keer mijn telefoon. Bericht van de ketelstraat! Met mijn ogen dicht tast ik me naar de app die me gaat vertellen of ik besmet ben. Nee, ik ben negatief, ik mag weer naar buiten! Ik app mijn geliefde dat ik onderweg ben en spring op mijn fiets. Het is al twee minuten over half acht, het concert is net begonnen. Met de machtige slagen van een bevrijde geteste bereik ik de kerk in vijf minuten. Een van de vrouwen van mijn pleintje opent de deur, ze herkent me niet, maar laat me binnen als ik mijn QR code en mijn rijbewijs laat zien. Het concert voor vier saxofonen is net begonnen. Ik hoor onmiddellijk dat de muziek ondraaglijk is, maar achter mij valt de grote kerkdeur dicht. Te laat, ik zit in een nieuwe gevangenis.

Geen afmakers, die Sauerlanders

‘Weet je zeker dat dit de juiste route is?’, vraag ik aan mijn schoonzoon.  Na een uur wandelen zijn we aan de andere kant van de berg beland, opeens moeten we zonder aanwijzing kiezen uit drie paden. Nee, hij weet het niet zeker, geeft hij toe. Een kwartier geleden volgden we nog een bordje met 2.3 km naar het Duitse dorpje waar wij deze week logeren. Dat klonk als een prima eindspurt van deze ochtendwandeling met kleinzoon in een draagunit, beurtelings op de rug van zijn vader en die van zijn moeder. Zo’n wandeling maken we elke dag, maar schoonzoon mompelde deze ochtend iets over meer ambitie. 

Schoonzoon weet het niet zeker, het wordt steeds warmer en ons water is op. In het dal liggen enige vakwerkhuizen, wit en nieuw glimmen ze in de zon. Ik probeer de afstand tot de bewoonde wereld in te schatten en realiseer me dan dat het zinloos is. We komen waar het pad ons brengt en nergens anders, de berg is te steil voor het nemen van een eigen route. Ik probeer het gevreesde woord weg te houden uit mijn hoofd, maar het is al te laat. Met grote neonlichten flitst het door mijn brein: we zijn verdwaald! 

Verdwaald zijn is ultiem controleverlies, voor mij een beangstigende toestand. De neonlichten geven het startschot voor het aanmaken van adrenaline en cortisol. Hoppa, daar gaat mijn hartslag omhoog en daar vlak achteraan komen de rampbeelden in mijn hoofd. We worden nooit meer gevonden, we verdrogen, hongerige buizerds scheuren het vlees van onze botten.

Waar het idee ook van de Duitse gründlichkeit is ontstaan, het was in ieder geval niet in Sauerland. Dit is meer de streek van de goede intenties, de streek van een goed begin is het halve werk en naar de tweede helft kun je fluiten. Het zijn geen afmakers, de Saurlanders. Leuk, die routebordjes boven op de berg, maar vervolgens wandelaars verderop driesplitsingen voorschotelen en ze zonder duiding aan hun lot overlaten: typical.

We voegen ons maar naar schoonzoons keuze, gedwee loop ik naast mijn dochter over het middelste pad. Het is de laatste dag van een mooie familievakantie, als we deze wandeling tenminste tot een goed einde weten te brengen.

Ik ben gezegend, alle kinderen en aanhang konden mee dit jaar.  Mijn kleinzoon luistert de boel op. Dat begint al in de vroege ochtend. Elke dag is hij als eerste in de woonkamer met een van zijn ouders. Elk familielid dat in de loop van de ochtend naar beneden komt, krijgt dezelfde behandeling. Ze krijgen hun schoenen aangereikt en als aan de orde ook hun tas, portemonnee, laptop, autosleutels. Want kleinzoon houdt van orde en spullen horen bij de eigenaar. De rest van de dag houdt kleinzoon zich bezig met afdekken, alles wat open staat wordt direct gesloten: dozen, ramen, deuren, tassen, potten. Zijn eerste woordje was dan ook ‘dicht’. Kleinzoon heeft er nog flink wat werk aan, het is ongelooflijk wat negen volwassenen allemaal openen op een dag. 

Morgen gaan we weer allemaal naar huis, maar daar wil ik nog helemaal niet aan denken. Liever denk ik terug aan een week geleden toen we hier aankwamen in vier teams met een eigen vervoermiddel. Levensgezel G en ik reizen de avond van te voren naar Zevenaar en logeren in het sneue en te dure Campanile hotel. Zo kunnen we extra vroeg op onze bestemming aankomen. Maar dochter L die per trein reist met man en kind wint de rally. Kleinzoon ligt al in het kinderbedje voor zijn middagslaapje als wij het bospad oprijden naar het vakantiehuis. Een half uur later arriveert zoon R met vriendin en zijn zus, gisteravond uit de kroeg in Leiden geplukt. omdat ze laat besloten ook alvast af te reizen naar Duitsland. Om half drie vannacht kwamen ze aan in Dortmund. Het laatste team met een nieuwe schoonzoon arriveert kort daarna in een auto volgeladen met zaken zoals een gitaar, een food processor en game apparatuur. Een mooie aanvulling op onze bordspellen. Een huis vol mensen, activiteiten, geluid, geluid, geluid en gewoontegetrouw gaan we elkaar flink zitten irriteren. Maar dan bedenkt een ieder van ons dat we een klein onbedorven jongetje bij ons hebben. Niemand wil op zijn geweten hebben dat dit mannetje zich ook maar een tel ongelukkig voelt omdat wij ons kinderachtig gedragen. Na één dag al leven we in perfecte harmonie. We zijn verdraagzaam, we laten elkaar voorgaan en uitpraten, we  lossen elkaar moeiteloos af met koken, voorraden aanvullen en zwabberen. Opeens zie ik ons nieuwe patroon: we zijn heilige, saaie boontjes geworden! Dat kan niet goed zijn voor kleinzoon, zometeen denkt ie nog dat de hele wereld zo in elkaar zit. Ik ben blij dat we nu eens goed verdwaald zijn, dat ik zometeen een aanval van schreeuwzenuwen krijg en dat we kruipend met verschroeid verhemelte de berg af moeten. 

‘Ik heb bereik!’ , roept mijn dochter. Triomfantelijk houdt ze haar telefoon in de lucht. Dan laat ze hem zakken, toetst wat nummers in en belt. Er wordt opgenomen. 

‘Hé pa, ik stuur je zo mijn locatie, kun je ons komen halen met de auto?’ 

Het is even stil, dan zegt ze: ‘We hebben geen water meer, pa.’ 

Weer is het stil en dan speelt ze de troefkaart, dat zou ik ook gedaan hebben. Ze herinnert haar vader er aan dat zijn kleinzoon bij ons is. Nog geen kwartier later rijdt mijn echtgenoot ons tegemoet op het pad. Hij heeft er zelfs aan gedacht water mee te brengen. Eigenlijk is er niks mis met betrouwbare boontjes.

Kinderboerderij

We zijn weer welkom bij de kinderboerderij achter mijn huis. Marc en Hugo vonden het al weken geleden goed dat hij zijn deuren openende, maar pas vandaag mogen wij gewone stervelingen weer het bruggetje oversteken. Een kleine optocht van grote en kleine mensen. Zie ons gaan langs de twee rode poezen, de verschrikt kwakende loopeenden, naar de volières en het tuintje van de twee ezels die iedereen omver blazen met hun welkomstbalk. We mogen helemaal tot het woestenijtje van Olivia en Newton-John, twee Slovaakse varkentjes. Tijdens deze zegetocht oefen ik dierengeluiden met mijn nieuwsgierige kleinzoon, vijftien maanden heerlijkheid. 

‘Mooeeee’, zegt hij als ik vraag wat de koeien zeggen. Hij wordt extra beloond, de twee bonte exemplaren van de kinderboerderij loeien terug. ‘Aaak’, zegt hij als hij de kippen in het vizier krijgt. De blauwe parkieten in de voliere vindt hij ook prachtig, maar niets maakt hem blijer dan het openen van het hekje naar het grasveldje met rollend speelgoed. De jongste bezoekers mogen in de kindertrekker, op de schommels klimmen en boter-kaas-en-eieren spelen in de buik van het houten varken. Kleinzoon is door het dolle heen. Steeds sneller draaft hij van kruiwagen naar loopfiets, geeft vriendschappelijke schouderduwtjes tegen het meisje dat de trekker bestuurt en probeert tussendoor de glijbaan op te klimmen. Dan doet hij een glorieuze ontdekking, de knalroze driewieler van hard plastic heeft maar liefst drie knopjes met opmerkelijke effecten: oorlogsgeluiden, discomuziek, en ingeblikt gegiechel. Kleinzoon wordt wild, drie knopjes met zulke vette geluiden waar hij de baas over is! We krijgen er geen genoeg van, kleinzoon niet van het drukken en ik niet van zijn aanhoudende vreugde. 

Niet iedereen op het grasveldje is er blij mee. Een vader laat mij een vierde knopje zien die de werking van de andere drie blokkeert. Kleinzoon is even verbluft als het fietsje zwijgt maar laat zich gemakkelijk afleiden. 

‘Kom, we gaan even naar de molen’, zeg ik en pak zijn handje. Braaf wandelt hij mee naar de overkant van het dijkje en doet de mekkerende geiten na die net gevoederd worden. De molenaar werkt op zijn knieën in de moestuin, hem moet ik net hebben. Ik til kleinzoon op zodat hij mee kan doen met het gesprek.

‘U heeft vanuit de molen vast goed zicht op de broedpaal´, begin ik, ‘hoe zit het dit jaar met de gezinssamenstelling?’

Ik snap er namelijk niks van. Twee ooievaars vlogen maanden af en aan op het nest, maar nooit staken kleine witte kopjes boven de nestrand uit. Gister was het nest opeens leeg en stonden drie volwassen ooievaars op de grond. Is er een oom bijgekomen of een tante?

De molenaar staakt zijn graafwerk en kijkt op.

‘Pa en moe begonnen met drie kinderen, maar er bleef er slechts eentje over’, zegt hij. Ik knik en steek mijn duim op, maar de molenaar is nog niet uitverteld.

‘Pa en moe kunnen niet tellen. Ze bleven voer aanleveren voor drie. Het overgebleven jong werd dikker en dikker en vliegen? Ho maar!’

De molenaar krabt in zijn dichte baard en zoekt naar de juiste woorden om de situatie verder uit te leggen. Ik voel het kleine lijfje van kleinzoon die zich probeert los te wriemelen uit mijn greep, maar ik laat hem nog niet gaan. Ik probeer zijn interesse vast te houden en fluister in zijn oor: ‘De molenaar heeft wel een baard, maar geen snor, zie je dat?’

En harder nu naar de molenaar: ’Denkt u dat de overgebleven telg zijn broer en zus het nest heeft uitgeduwd?’ 

‘Het is geen koekoek!’, zegt de molenaar en trekt uit pure verontwaardiging zo hard aan een krul in zijn baard, dat zijn nek naar voren schiet. Ik wacht maar even voor ik de volgende vraag afvuur: ‘En waarom zag ik nooit zijn koppie boven de rand?’

De molenaar laat zijn schouders zakken, zijn gezicht wordt zacht, ik zie zelfs iets van een glimlach: “Dat beest had zo belachelijk veel ruimte dat hij de hele dag plat op zijn rug lag met zijn snavel open. En zijn ouders maar voeren!’

‘Dus die derde oo-ie-vaar’, zeg ik steeds langzame omdat het kwartje valt.

΅Is het kind!’, juicht de molenaar, ‘De ouders waren de wanhoop nabij, ze werden zelf steeds magerder en dat dikke jong wilde maar niet zelfstandig worden. Ten einde raad hebben ze hem eergisteren met hun laatste krachten het nest uitgeduwd. Nu moet hij wel leren vliegen.’ 

De molenaar wijst naar het weiland, in de verte waggelt een kogelronde vogel.

‘Gaat het hem lukken, denkt u?’ vraag ik. 

‘Hij moet eerst afvallen.’

De molenaar komt overeind en klopt zijn broekspijpen af. Wat is hij eigenlijk klein, heb ik hem ooit wel eens eerder staande gezien? Ik zet mijn kleinzoon op de grond, zie je wel, ze zijn even groot. En wat zou er onder die rode muts zitten? Ik heb te lang gestaard, de molenaar plant één hand snel bovenop zijn hoofd. Door de vaart zakt zijn muts een beetje scheef. Ik wist het! Allemaal witte krulletjes. Kleinzoon ziet het ook, hij wijst en zegt: ‘Meeeehhhh’.

In de verte klapt de dikke ooievaar zijn vleugels uit. Hij wappert er een paar keer mee, maar er gebeurt niet veel. Kom, het is tijd. Ik geef kleinzoon weer een hand, blij stapt hij met mij terug het dijkje over, duwt het hekje open. Gelukkig, het knalroze fietsje is niet bezet. Samen doen we het vierde knopje uit.

Van wie houd je meer?

Twee keer per week is kleinzoon M een beetje van mij. Op maandag- en donderdagochtend pakt mijn dochter haar laptop, haar kind en de wandelwagen en verlaat Rotterdam met de Randstadrail. Een half uur later stapt ze uit in het dorp waar ze zelf geboren is en ik nog steeds woon. Ik loop ze tegemoet, versnellend als hun silhouette zich aftekent tegen de dageraad. Een hoed, een karretje, soms zit het kind erin, soms heeft hij geen zin en deint hij mee op haar heup. 

‘Daar is ooooma!’ klinkt het aan de overkant van de straat, ik krijg vleugels. Mijn kleinzoon is blij als hij me ziet. Gelukkig maar, want we trekken de hele dag met elkaar op als zijn moeder boven logistieke problemen oplost. Wat een mazzel heb ik dat ik tijd heb om op te passen, dat mijn dochter zo vaak af kan reizen en dat ik zo’n vrolijke kleinzoon heb die het naar zijn zin heeft in mijn huis. De vitrine met de bronzen beeldjes is zijn favoriet. Ik sluit de route naar zijn gevaarlijke voorkeur af met zijn kinderstoel, maar vanochtend ben ik dat vergeten. Zodra hij op de grond wordt gezet, ziet hij zijn kans schoon. Hij trekt zijn beentjes onder zijn buik en stort zich naar voren, twee maaibewegingen met zijn armen zijn genoeg om zijn doel te bereiken. 

’Bem, bem, bem!’ hagelt zijn rechterknuistje tegen het glas. Wat een meeslepend geluid voor een baby van acht maanden en helemaal zelf gemaakt! 

Mijn omahart gunt het hem zo, het eigengemaakte lawaai en het zicht op de meetrillende beeldjes. Maar tien jaar geleden liep mijn jongste dochter door een glazen deur in een Belgisch hotel. Het urenlang wachten op de uitkomst van de operatie in de lange sombere gang van het Sint Jan’s in Brugge vergeet ik nooit. Resoluut trek ik kleinzoon naar achteren en draai hem om zodat hij de piano in het vizier krijgt. Vandaag laat hij zich braaf afleiden en bezigt zijn net aangescherpte kruip-techniek richting het machtige instrument, een monument van familie-historie. Zijn over-over-overgrootvader heeft er het Gronings volkslied op gecomponeerd. Zijn over-grootvader heeft er veertig jaar Fats Waller muziek op gespeeld voor het naar ons pleintje verhuisde en mijn kinderen er op konden oefenen. 

Als kleinzoon de poot van de kruk bereikt neem ik plaats en til hem op mijn schoot. Hij heeft vrij spel. Links speelt hij subtiel, met twee vingertjes beroert hij beurtelings de toetsen. Al snel komt zijn rechterhand erbij. Met machtige slagen begeleidt de ‘bem-bem’ hand het gepringel van links. Van bovenaf kijk ik naar mijn kleinzoon. Naar de donkere haartjes waar een slag in komt, naar de lange, zwarte wimpers, daaronder het piepkleine uitsteekseltje van zijn wipneus. Dat dit wondertje tweeëndertig jaar geleden al voor de helft bestond is onbevattelijk. 

‘Van wie houd je meer: van M of van ons?’ vroeg een van mijn kinderen mij laatst.

Een onmogelijk te beantwoorden vraag. Hoe kun je bepalen of er meer is van de ene superveel of van de andere superveel? Maar misschien was dat ook niet de essentie van de vraag. Ik nam de tijd om erover na te denken. Vanaf het moment van de geboorte van de eerste veranderde mijn leven, het draaide niet meer om mijzelf. Met mijn eigen kinderen was ik 7/24 uur bezig. Ze maakten me blij, ze hielden me wakker en ze leerden me hoe ik het beste de tijd kon verdelen tussen hen en de rest van mijn leven. Grootouderschap is minder heftig dan ouderschap, het kent een veel gunstiger verhouding tussen lusten en lasten. Maar op de hoeveelheid liefde is dat niet van invloed. Van wie houd je meer blijft een onmogelijk te beantwoorden vraag.

‘Bem, bem!’ gaat de rechterhand. Ik zing de aangeslagen toetsen na, M stopt even met het mishandelen van de piano. Dan heft hij langzaam zijn rechterarmpje, klaar voor een bem op een nieuwe toets. Nog voor hij het ivoor raakt zing ik al de toon. Dat vindt hij komisch, het armpje stopt, hij draait zijn gezicht naar boven zodat hij me ondersteboven aan kan kijken. We moeten allebei heel hard lachen. Er zit geen einde aan superveel.