Het reservaat

De uitbarsting van de Cabulco in Chili gisteren verhindert niet dat F en haar ploeg naar Santiago shuttelen vandaag. De andere companions hebben een trip in een eend geboekt en vragen me mee, maar ik voel meer voor een dagje natuur. Achter de haven ligt het Reserva Ecológica Costanero Sur, een fiks natuurgebied langs de oever van de Rio de la Plata. Internet belooft dat ik bij de ingang een fiets kan huren. Mooi zo, dan wandel ik er eerst rustig heen langs de haven, dat kost me hooguit een uurtje. Kan ik daarna mijn fietsspieren gebruiken terwijl ik vogeltjes en reptielen spot tussen de exotische vegetatie, ik verheug me enorm.

Het loopt anders. Het uurtje wandelen worden er twee, niet alleen is de haven groter dan ik dacht, daarna moet ik nog de hele kade af langs het reservaat om bij de ingang te komen. Geen straf, de kade is heel gezellig, talloze Argentijnen hebben er een kleine foodtruck en zetten stoeltjes neer voor mensen met trek. Ze bakken hamburgers, empanadas en andere lekkere hapjes. Bovendien is er markt, staat er een halfvergane bus als nagedachtenis aan de Falkland helden en kan ik ook nog langs de Paseo de la Gloria, een walk of fame met levensgrote bronzen beelden van Argentijnse sporthelden. Ik herken Sabatini, Vilas, Cabrera en Luciana Aymar natuurlijk, maar, eh, waar is Maradonna? Hij staat er niet tussen, sterker nog, er is geen enkele voetballer bij!

Na de laatste held vind ik de ingang van het reservaat. Een witte ibis en een andere enorme vogel die ik absoluut niet kan thuisbrengen stappen feestelijk op hun lange poten rond in het moeras, dit belooft veel goeds. Likkebaardend ga ik op zoek naar de fietsenverhuur. Talloze Argentijnen spreek ik aan in mijn beste Spaans (gebarentaal), ze begrijpen wat ik bedoel en leggen uit waar het is. De een stuurt me naar rechts, de ander naar links, de een zegt dat het dichtbij is, de ander dat het ver weg is. Eind van het lange liedje is dat ik nog eens vijf kilometer te voet heb afgelegd en onverrichterzake naar de ingang terugkeer. 

Als er iets is dat ik haat is het onverrichterzake, het kan niet, het mag niet, het bestaat niet eens. Feit is dat ik nog steeds lóóp terwijl ik links en rechts wordt ingehaald door toutes Buenos Aires op wielen. Stampvoetend loop ik het reservaat in dat ook nog eens een Argentijnse versie van Meijendel blijkt te zijn. Ik loop op een pad met wiebelstenen die door mijn fietsslippers prikken. Het pad is hoog, de beesten bevinden zich ergens laag en ik kan ze door alle vegetatie niet goed zien. Ik kan me niet voorstellen dat het met mijn humeur ooit nog goedkomt.

Maar ik ben hier nu toch, ik zal dat suffe pad aflopen en gek, na een paar honderd stappen denk ik er anders over. Fietsen was hier een Luik Bastenaken Luik marteling geworden en heb ik wandelen in Meijendel niet altijd leuk gevonden? Ik zing luidkeels het American songbook af en niemand kijkt op. Ik vind een cadans voor de steentjes en zie hoe mooi de popcorntjes aan de Ticino’s zijn langs het pad dat nu uitkomt bij een weitje bij de Rio. Argentijnse families stappen hier van hun fietsen af om te luieren en te picknicken. Ik ga er even tussen liggen onder een flinke palm en schop mijn slippers uit. Ik vind een strootje voor tussen mijn tanden. Er komt een vliegtuig over, blauw met wit. Het pluimpje op mijn strootje zwiept heen en weer alsof het wuift naar mijn blauwe familieleden in de lucht. 

Als ik tijdens de rest van de wandeling schildpadden, gaviotas en een piepklein maar reuzegiftig slangetje heb gezien ben ik dik tevreden. Voor de kilometers terug kan ik best een omweg aan via de Avenida de Florida om wat biertjes te scoren. Vanavond om acht uur begint immers de drooglegging. Nietsvermoedend loop ik de Avenida 9 de Julio op, zó de verkeerde film in. Vlak voor me duiken twee politie-agenten op die een auto openrukken die stilstaat aan mijn kant van de weg. Op de straat ligt een hoopje gebroken glas, maar op een deuk aan de zijkant na lijkt de auto helemaal intact. Als ik naar binnen kijk zie ik een jonge vrouw en een man levenloos over elkaar heen gezakt. Zijn ze bewusteloos of zijn ze dood? Is dit het resultaat van een afrekening of een ongeluk? De politie-mannen lijken niet te weten hoe ze verder moeten handelen, ze raken de mensen niet aan en staan daar maar. Ik maak oogcontact met andere voorbijgangers, ze vinden het net zo onwerkelijk als ik. Sommigen blijven staan, ik wil geen ramptoerist zijn en loop door. Laat ik zometeen maar wat extra biertjes kopen.

Verder de 9 de Julio op loopt een man op blote voeten, hij is gewikkeld in een wit gewaad, her en der met touwen om zijn extremiteiten gewikkeld. Hij valt op, mensen draaien hun hoofd om, zeker als hij niet oversteekt over het zebrapad, maar net ernaast. Ik bestel een koffie in de bierwinkel en vraag de WiFi. Eindelijk kan ik opzoeken waarom dé voetballer ontbreekt op de grens tussen stad en reservaat. Van Maradona is nooit sprake geweest. Ooit stond Messi daar met de bal aan de voet geklonken. Op een ochtend was hij doormidden gezaagd, het bovenste deel was verdwenen. Messi is niet populair in Buenos Aires, hij doet nooit leuk mee met het volkslied en voetballen gaat hem beter af in Barcelona dan hier. Zijn onderkant heeft er nog een tijdje gestaan, toen verdween ook dat.

Bellas Artes

‘d’Ora a importunaaaaaare!’

Ik vlieg van het puntje van mijn stoel weer terug naar de rugleuning. Na een paar nummers uit la Bohème krijg ik door dat ik me schrap moet zetten bij de slotakkoorden. Dat zijn de momenten dat de vocalisten er nog een paar scheppen bovenop doen en dat moet je als toeschouwer wel weten te handelen. Als volstrekt ongeoefend opera-luisteraar is het sowieso aanpoten bij dit potpourri concert in de Salón Dorado in het Teatro Colón. De vocalisten zetten op voor mij onlogische momenten in, het klinkt alsof de begeleidend pianist er als de sodemieter een hoop noten bij moet frommelen om zometeen, als alle teksten achter de rug zijn, een béétje samen te eindigen. Bij een van de nummers uit Ariadne en Naxos kwam daar niets van terecht. De tenor en de sopraan verlieten zelfs met gebogen hoofd de zaal terwijl de pianist nog minstens drie bladzijden moest spelen. Ze kwamen terug voor het applaus, dat dan weer wel. 

Vriendin F en collega B luisteren eveneens zelden naar opera, ook zij vinden het maar bij vlagen mooi. We zijn blij dat we geweest zijn, en we vinden het niet erg dat het nu is afgelopen. We hebben nog een klusje. Doen alsof we verdwaald zijn om zo per ongeluk in de grote concertzaal een kijkje te kunnen nemen. Het lukt bijna. Ik kan twee stappen in de zaal zetten en één seconde kijken voor een indrukwekkende hombre securitas me duidelijk maakt dat ik direct om moet keren. De verdwaalsmoes probeer ik niet eens, we weten allebei dat ik twee keer een gesloten gordijn heb opgetild om hier te kunnen staan. De glimp doet me nu wel verlangen naar een concert in de grote zaal. Al is dat opera.

De KLM vliegt elke dag één keer van Schiphol naar Buenos Aires en ook elke dag één keer terug. Dat betekent dat er dagelijks een nieuwe KLM ploeg bij komt in hotel Emparador en ook dat er elke dag een ploeg vertrekt. Tijdens het ontbijt treffen de collega’s elkaar die op dat moment in the house zijn. Dan worden tips uitgewisseld over leuke restaurants, nail studio’s, dansclubs, musea, tours. De nieuwe ploeg wordt begroet, de vertrekkende wordt uitgewoven. Het is één groot sociaal kippenhok waar ik middenin zit en waar het tot me doordringt wat het betekent om lid te zijn van de blauwe familie. Het gemeenschappelijke wordt gevierd, de verschillen gerespecteerd. De ooms en tantes van de familie staan vroeg op, trekken baantjes in het zwembad voor het ontbijt, genieten overdag van de stad en gaan bijtijds naar bed. De jongere familieleden rekken zo snel mogelijk hun leefritme op zodat ze fit zijn voor het uitbundige nachtleven. Tijdens de vlucht zijn wij, companions, nog passagiers, maar direct daarna worden we door de familie liefdevol opgenomen of we verloren gewaande achternichtjes zijn. Ik vaar er wel bij.

Deze ochtend verzamelen we specifieke tips bij het ontbijt, want ons thema voor vandaag is cultuur. Keus te over in Buenos Aires. Argentinië is op belangrijke punten een uiterst beschaafd land: voor de eigen bevolking zijn gezondheidszorg, educatie en cultuur gratis. Men maakt er gebruik van, in de musea zien we veel ijverige leraren uitleg geven bij de kunstwerken. Er wordt opvallend weinig gekeet door de leerlingen in de puberleeftijd. Mogelijk krijgen ze lijfstraffen als ze zich niet gedragen, maar ik krijg de stellige indruk dat hun interesse oprecht is. 

We nemen uitgebreid de tijd voor het Museo Nacional de Bellas Artes met topstukken van Europese en Argentijnse kunstenaars. Barok, impressionisme, maar ook hedendaagse kunst. Mooie werken van Rodin, Gaugain, zelfs een Rembrandt, maar we besteden vooral aandacht aan de Argentijnse kunstenaars. Ik houd van het werk van Antonio Berni. Meer van hem is te zien in Museo Malba waar de expositie van Leandro Erlich afloopt, daarom is er een enorme rij voor de kassa. Later blijkt dat we mazzel hebben gehad met ons tijdstip, als we het Malba verlaten is het begin van de rij een heel stuk de Avenida Alcortes opgegroeid, ik schat dat deze mensen zeker anderhalf uur moeten wachten. 

We zijn visueel verzadigd en hebben kramp in de kuiten. Vóór het Teatro Colón is er een parkje met fontein en grasheuveltje, we hebben nog een uurtje voor het concert begint. Daar liggen we dan naast een dakloze familie met kleine kinderen. Hun bezittingen zitten in een klein karretje, afgedekt met een grijze plastic zak. Ze hebben net de was gedaan in het groene water van de fontein, kleurige kinderkleertjes liggen te drogen op de witte stenen. Moeder doet een middagdutje, vader vraagt of hij wat van onze cola mag. Wij gaan zo naar de opera, zij moeten hun gezin in leven zien te houden. Hier kan ik mijn ogen niet voor sluiten al heb ik ze dicht.

De Job

‘De kunst is om de energie te vinden alsof je het voor de eerste keer doet.’ 

Job, ooit directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme, verhuisde twaalf jaar geleden naar Buenos Aires vanwege de liefde. Job heeft alle tijd gehad zijn one man show voor Nederlandse toeristen tot in de puntjes te perfectioneren. Hij heeft die tijd benut, hij vindt die energie, Job is een vakman. Met tien andere Nederlanders fietsen we zes uur lang graag achter hem aan door Buenos Aires. Bij elk hoogtepunt stappen we af om met vol gewicht aan Job’s lippen te hangen. Zijn verhalen zijn doorspekt met turn-arounds, cliff hangers en quiz-vragen. Job maakt ze af met mooie Argentijnse handgebaren waar hij alles mee kan uitbeelden: tangodansers, Belgische kasseien, Messi die wordt ingespoten met groeihormonen, zwangere vrouwen, de dode Evita waar drieëntwintig jaar mee gezeuld is voor haar gebalsemde lijk eindelijk weer welkom was in Argentinië en kon worden bijgezet in het familiegraf van de Duartes. De handgebaren komen trouwens van de Italianen die zo bepalend zijn geweest voor de culturele ontwikkeling van Buenos Aires. De stad dankt hier de pizza’s, de ijsjes en de corruptie aan, naast de moeder-verering en het levendige gesprek. 

Job mat ons af, we fietsen van de plaza de Mayo naar de haven met de eendenbekbrug en de Engelse pakhuizen, langs de Nederlandse ambassade die we nu uit kostenoverwegingen delen met die van de Belgen, langs het Nederlandse plein waar het beeld van het blije meisje is gejat, maar Anne Frank nog staat. Via San Telmo fietsen we naar de wijk La Boca waar al die arme Italianen anderhalve eeuw geleden in huisjes van havenafval en golfplaten warm probeerden te blijven. Hun leven veranderde nadat een kunstzinnige havenarbeider op het idee kwam de krotten in felle kleuren te schilderen. Het bracht indertijd al de hoop en levenslust terug bij de bewoners van La Boca, nu komen er dagelijks honderden toeristen voor langs om plaatjes te schieten. 

We fietsen verder naar La Bombonera, het voetbalstadion waar Maradonna groot is geworden. Job denkt dat zijn voetbaltalent niet kon tippen aan dat van Messi, maar Messi had geen hand van God om de bepalende goals te maken in de WK-wedstrijd tegen Engeland nadat Argentinië net de Falkland oorlog had verloren. Met deze heldendaad verzekerde Maradonna zichzelf in 1986 van eeuwige roem.

Onze tocht met Job zit er op, verbrand en moe slepen we ons terug naar het hotel voor een oplaadchill. F’s Belgische collega A danst tango vanavond op de Avenida Florida, dat willen we zien. Voor de beste tango hoef je niet perse naar een dure tent. Bij de show op straat participeren dansers uit de top van de wereld omdat de pet ze meer oplevert dan het vaste salaris van het Teatro. 

A’s bestaan draait om de tango. Iedere maand vraagt ze een reis aan naar deze stad en neemt dan elke dag les. F en ik krijgen een plastic krukje, we zitten eerste rij voor de tangoshow. Een voor een vertonen de paren hun kunsten. De danseressen laten onmogelijke splits en achteroverbuigingen zien. De dansers tillen ze hoog op en zwieren ze over de hoofden van het publiek dat voortdurend wordt aangemoedigd te applaudisseren. Qua niveau hoort A er eigenlijk niet bij, ze kijkt ook niet boos genoeg voor de tango, toch mag ze af en toe een paar passen dansen. De danspartners van vanavond kennen haar niet en durven haar niet te laten vliegen. Al vindt A dat jammer, ze lacht de hele tijd. 

Als het gezelschap fotoshoots gaat maken met mensen uit het publiek stappen we maar eens op. We nemen een taxi naar het vegan restaurant Largo in de volkswijk Palermo, F spreekt uitstekend Spaans, ze checkt de uitspraken van Job vandaag over de buitensporige inflatie en de onvermijdbare linkse overwinning aanstaande zondag bij de taxichauffeur. Job heeft niet overdreven. 

Het hippe Largo is een tip van een passagier op de heenweg. Haar dochter is model en is blijven plakken aan een steenrijke, verliefde Argentijn. De moeder bezoekt haar dochter jaarlijks en weet inmiddels de beste plekjes van de stad. Ook zij heeft niet overdreven, de hapjes in Largo zijn verrukkelijk. We komen de passagier dan ook weer tegen met haar familie. De Argentijnse schoonzoon is nou ook weer niet zo verliefd dat hij vergeet met ons te flirten.

We willen de avond afmaken met een mooie wandeling. Een zoete geur achtervolgt ons, ook als we een heel stuk verder zijn gelopen  en de hoek omslaan. Het moet wel van de paarse bloemetjes komen aan de platanen langs de stoep, maar we willen bewijzen. De bloemetjes hangen net te hoog. Ik spring en spring en ruk heel wat groen van de takken, maar geen bloemetjes. F slaat met haar tas in de lucht, maar ook deze tactiek geeft geen succes. Als er al boefjes zijn die overwegen ons te beroven, dan denk ik dat ze het maar laten. Niemand valt ons lastig in de donkere straten van Palermo. 

Terug in hotel Emperador zien we A in de bar zitten in haar dansjurk. Haar lach heeft haar niet verlaten al is ze moederziel alleen. We gaan nog even bij haar zitten. Ze is blij met mijn filmpjes, ze wordt niet vaak vastgelegd. We vragen of een van de danspartners haar nog heeft laten vliegen. Ze schudt haar hoofd, de lach is heel even weg. Zeg ik toch bijna ‘Kop op, maandagavond mag je weer veertien uur.’

Veertien uur

‘Kan ik er nog uit?’

Ik ben net Fred Flintstone die met beide vuisten op de deur roffelt als hij Wilma smeekt om de deur open te doen. Twee bemanningsleden proberen me gerust te stellen, ze weten van mijn vliegangst die na het sluiten van de deuren van de Dreamliner doorschiet in een paniekaanval. Ze halen de purser erbij, mijn vriendin F, met wie ik als companion meereis. Nee, natuurlijk kan ik er niet meer uit. Althans niet hier en nu. Over veertien uur in Buenos Aires, dan wel.

Ik geef me over, de paniek zakt. Veertien uur opgesloten zitten is lang, maar in de business class is het een eitje. Ik dacht altijd dat de verhalen overdreven werden, maar het is echt waar. De tafeltjes worden gedekt met linnen, je slaapt gestrekt, je krijgt kreeft en champagne. Als je wilt, hè, niets is verplicht, want de bemanning in de business is minstens zo lief als in de economy. 

Mijn ontspanning zet door, de turbulentie doet me niks. F geeft me een tour langs de bemanning.  Het rondje – we zijn er wel even mee bezig, 294 stoelen ben je niet zomaar voorbij – eindigt in de gender-equale cockpit. Of ik een game room binnenkom: lampjes, knopjes, metertjes, schermpjes. Een paar kleine raampjes om naar buiten te kijken zouden het virtuele gevoel kunnen compenseren als het buiten niet zo pikkedonker was. De vrouwelijke piloot vertelt ontspannen over haar leven met basisschoolkinderen en een werkverslaafde man, de mannelijke piloot probeert de WiFi te verbeteren voor een ontevreden passagier. Ik hoor dat de bemanningsleden op deze vlucht zo’n drie uur slapen. Ik mag terug naar mijn ligstoel om filmpjes te kijken en net zoveel te slapen als ik wil. De veertien uren vliegen voorbij.

Companion S trekt me net op tijd weg voor een Argentijnse motorduivel die ver voor de rest van het verkeer de bocht om komt. Wat deed ik ook op die drukke weg? We zijn nog geen vijf minuten onderweg van het hotel naar de cementerio waar ook Evita Perron begraven ligt. In het witte kloosterkerkje er vlak voor probeer ik me achter een groep schoolkinderen te wurmen om de blauw-gouden Jezus en Maria beter te kunnen bekijken en zwiep met mijn vest een houten pilaartje omver. In mijn pogingen het weer op zijn plek te zetten pleeg ik een overcorrectie waardoor er voor de tweede keer een oorverdovende kletter klinkt in het Godshuis. De tweede keer kijken de kinderen niet eens meer op, ze weten al wat het veroorzaakt, lekker boeiend. De geesten op de cementerio hebben misschien wel even hun wenkbrauwen opgetrokken, hoe gewend ze ook zijn aan verstoringen. 

Op de tjokvolle begraafplaats voor de rijke Argentijnen is het ene familiegraf nog indrukwekkender dan het ander. Er zitten kleine kerkjes bij, versierd met smekende engelen en gedenkschriften, torentjes en glas in lood taferelen. Binnenin de gebouwtjes daalt men af naar de grafkelders waar eindeloos lang kisten worden bijgeplaatst. Hier worden verschillende generaties na de dood herenigd, een troostrijk idee. 

Voor we Evita vinden hebben we de plek van haar laatste rustplaats wel vijf keer aan het onderhoudspersoneel gevraagd. De laatste groenwerker komt op het idee ons te vertellen dat we moeten zoeken naar Duarte, niet Perron.

Buenos Aires is enorm. De gebouwen zouden zo overgevlogen kunnen zijn uit Barcelona of Madrid, maar de Avenidas zijn zeker drie keer zo breed als bij ons in Europa. In dit deel van de stad, de wijk Recoleta, valt de grote hoeveelheid hondenuitlaters op.  Ze lopen ieder met een collectie van minstens zeven op elkaar lijkende honden, de een trekt aan een kudde witte mopskeffers, de ander voert gestipte Deense Doggen aan. In het park aan de avenida Libertador worden ze allemaal tegelijkertijd losgelaten. S en ik bestellen thee op een roze terras, we zetten onze stoelen aan dezelfde kant van het tafeltje zodat we beiden het gedrag van de honden kunnen bestuderen. Sommige honden gaan meteen sociaal lopen doen, ze geven de rest een zet en een blaf om hun positie te bevestigen. De echte machthebbers strekken zich uit op het gazon in een luierhouding en besteden juist geen enkele aandacht aan de medehond.

Terug in het hotel verruil ik S voor F die een beetje is bijgeslapen. De bemanning heeft vrij tot zaterdag, dan moeten ze nog even op en neer naar Chili. Maandagavond vliegen we allemaal terug naar Amsterdam, als we tenminste de Argentijnse verkiezingen van zondag overleven. Die schijnen nogal levendig te verlopen, de stad wordt vanaf zaterdagavond preventief drooggelegd, nieuws dat tot grote opwinding leidt. 

F en ik zien dat dan wel weer, nu gaan we op pad naar het Teatro Colón. dat minstens zo mooi is als de Weense opera. Alle voorstellingen de komende dagen zijn uitverkocht en ook voor de rondleidingen maken we voorlopig geen kans. Verder dan, naar het Plaza de Mayo met het roze presidentenpaleis waarvóór op donderdag nog altijd dwaze moeders hun rondjes lopen. Verder naar de gezellige wijk San Telmo met de antiquairs en hippe schoenenwinkels. Onderweg maken we een praatje met stakend ziekenhuispersoneel dat al vier maanden geen salaris uitbetaald heeft gekregen. Jonge mensen, vol levenslust, ze ogen gelukkig optimistisch. 

Een voormalig treinstation in San Telmo wordt gebruikt als overdekte markt met tapasbars. Iedere bar heeft zijn eigen open vuurplaats, de koks beginnen bij de creatie van ieder hapje met het bakken van knoflook in heel hete olie. Het eten ziet er overal heerlijk uit, toch hebben we een favoriet. De bar met de gewokte aubergines, dáár gaan we eten straks als de tijd rijp is. Eerst borrelen in de zon op de Plaza Dorrego waar we kunnen genieten van straattango. Het is slepend, deze dans die hier honderd jaar geleden door Europese mannen met last van heimwee is ontwikkeld. Het openstaande knoopje bovenaan de rok onder de blote rug van de danseres ergert me. Waarom zit dat knoopje niet dicht? Zometeen valt die rok nog op de grond. Het houdt me zo bezig dat ik de brandweerwagen pas laat in de gaten heb. Met loeiharde sirene scheurt hij langs onze Plaza. Als ik me weer terugdraai naar de dansers zit het knoopje dicht en kan ik me beter concentreren op de passen. 

Terug in het treinstation blijkt uitgerekend onze favoriete bar te zijn uitgefikt. De brandweermannen zijn net klaar, tevreden kijken ze naar de natte, zwarte vuurplaats waar nu geen vlammetje meer te bekennen is. We zoeken de kok op, wat nu? Hij verhuist gelukkig mee naar een andere bar en tovert voor ons vijf compleet verschillende hoog opgebouwde tapas. Wat goed dat die deuren al dicht zaten gisteravond.

Verjaarswandeling

‘Gefeliciteerd, schat!’ bij mijn ontbijt op bed. Eigenlijk is het mijn beurt, maar het is maar één keer per jaar twintig september en op die dag gaat alles anders. Als het goed gaat, vier ik mijn verjaardag vanavond in een restaurant in Delfshaven. Maar nu ben ik nog in Voorburg en vier straks mijn verjaardagsochtend met een wandeling naar het grootste winkelcentrum ter wereld in wording. Ik heb een missie, ik moet een lens kopen van min-tweeëneenhalf waar je drie maanden mee kan doen. Levensgezel G heeft uitgevonden dat hij één oog kan opplussen met zijn leesbrilsterkte. Hij wil met het ene oog lezen en met het andere ver weg kijken. 

‘Kan dat nou wel, met jouw beroep?’ vraag ik terwijl ik mijn eitje onthoofd. Het lijkt me niet goed voor de clientèle als hij halfwazige portretten aflevert, maar G is ervan overtuigd dat er geen nadelen zitten aan dit getover met plus en min.

De plantsoenendienst is twee weken geleden begonnen met het wegsnoeien van alles wat recht omhoog uit het gras groeit. Ik ga ervan uit dat ambtshalve is vastgesteld dat de bijen genoeg suiker hebben verzameld om de winter door te komen, want anders kan ik het besluit voor deze kaalslag niet verklaren. Onze gemeente is officieel bijvriendelijk verklaard en inderdaad hebben de groenambtenaren in de lente overal zaadbommen gegooid. Het is allemaal opgekomen, bermen en oevers stonden vol met klaprozen, korenbloemen, madeliefjes, uien, ukeleles en akela’s. Alles feestelijk door elkaar omdat ze geen strobreed in de weg werd gelegd. En een gezoem van jewelste, dus de aanpak was een succes.

Nu dan dat leegsnoeien, het is geen porem en ik kan er maar moeilijk aan wennen. De zomer is duidelijk nog niet voorbij, maar onze gemeente heeft anders bepaald. Treurig loop ik langs de sloot bij de kinderboerderij en hoor geschater. Ik zie een jongeman in een bootje waar enorme, ronddraaiende messen op zijn gelast. Zijn mond staat wagenwijd open, zijn ogen zijn toegeknepen, zijn kin steekt naar de hemel. De zeldzame uitbundigheid bij jongens van deze leeftijd (ouder dan zestien kan hij niet zijn), ik beschouw het maar als een verjaarscadeautje. Ook als hij in een moordend tempo de laatste rietsprieten langs de oever wegmaait en hij, door zijn bootje een paar keer om de as te laten draaien, alles verschrikt wat ademt op deze sloot. Zelfs de onverstoorbare zwanen staken hun kroosgeslobber en zetten aan om niet in de zeisende scharen terecht te komen. 

Het bootje schommelt nu zo vervaarlijk, dat ik me afvraag of er niet iets van toezicht moet komen. Maar zoals zo vaak, regelt het leven zichzelf. De jongen krijgt een rank Chinees meisje in het vizier dat heen en weer loopt met een kruiwagen. Het is haar taak om het vieze stro uit de hokken op te halen en in een gat in de grond te gooien. De jongen verlaagt het toerental van de bootmoter, in een rustig tempo vaart hij haar kant uit. Hij zet zijn pet af en duwt zijn haar in model. Het meisje kijkt niet op of om, zij is bezig met haar taak waar ze minder van geniet dan hij, maar die ze o, zo serieus neemt. Ik hoop dat het wat wordt tussen die twee, maar ik wacht het niet af, want snel zal het niet gaan en ik ben nog niet eens op een kwart van mijn missie.

Voor mensen als ik is het grootste winkelcentrum ter wereld in wording een lastig te nemen vesting. Als ik het van de zuidflank benader moet ik over een heuvel heen die ooit ter overbrugging van een viaduct is gebouwd. Naast de heuvel is een park met de mooiste bomen en kindertoestellen, altijd tjokvol opa’s en oma’s met kleinzonen. Ik heb het laatst nagezocht, er worden bijna net zoveel meisjes als jongens geboren, ook de laatste jaren, maar in het straatbeeld zie je dat niet terug. Ook zonder meisjes voert dat parkje een bijzondere aantrekkingskracht op me uit, ik moet en zal daar wandelen, al is dat duidelijk niet de bedoeling. Althans, niet voor mensen van de zuidflank. Die moeten op de heuvel blijven en hebben geen andere keuze dan te worden opgeslokt door de timmergeluiden en de verse broodluchten van Leidsenhage. 

Op de terugweg met mijn min-tweeëneenhalf in de pocket denk ik slim te wezen en pak een andere route, recht het parkje in. Heerlijk wandel ik daar tussen de grootouders, aai een paar kleuters over de bol, neem eens plaats op zo’n kukelkuiken (tenslotte ben ik jarig en mag ik alles) voor ik weer op huis aan ga. Maar dan zie ik waar ik aan begonnen ben. Terugkomen op de heuvel kan maar op één manier en dat is over de blubber van de steile rand klauteren. De plantsoenendienst heeft nog maar één halmpje op de kale graswand overgelaten en dat heb ik hard nodig om mezelf overeind te houden. Als ik naar boven kijk om te zien hoever ik nog moet, zie ik een vrouw met lange zwarte haren en dito hond. 

‘Hup, mevrouw, hup!’ zegt ze. Verdikkie, nu moet ik de klus wel afmaken. Het lukt me, maar mijn verjaarsschoenen moet ik nog lange tijd laten indrogen. Bij het laatste stukje reikt de vrouw me de riem aan van haar hond. Is dat geen dierenmishandeling? Ach, haar beest ziet er sterk uit en het is twintig september. Als ik naar boven ben getrokken, loop ik een eindje met de vrouw op. Zij vindt het ook een rotheuvel. Kan de gemeente het viaduct niet vol laten storten of kunnen ze het hele park niet ophogen? Er zijn zoveel oplossingen als de gemeente maar wil, vindt ze. 

Terug langs de kinderboerderij hangen er opeens trossen witte ballonnen aan de palen langs de sloot. Aaaahh, ze hebben er aan gedacht! Maar als ik dichterbij kom lees ik dat Laura met Robbert gaat trouwen. Ze hebben er een mooie dag voor uitgekozen, een dag die ze elk jaar zullen vieren, net als ik.

Intercultureel beleefd

‘Moet ik nu alwéér het antwoord geven?’ vraagt de mevrouw vooraan in het klaslokaal die op eigen initiatief al drie vragen heeft beantwoord. Ik lees aan de non-verbale signalen van de workshopleider dat hij bedoelt: ‘Nee, egomuts, ik wil nou eens de kans aan een ander geven.’, maar dat zegt hij niet want hij geeft les over interculturele beleefdheden. Hij is zelf een toppunt van beleefdheid, zelfs bij de antwoorden die overduidelijk hartstikke fout zijn zegt hij: ‘knap gevonden!’

Een nuttige workshop over een ingewikkeld onderwerp. Ik zit hier met zeker dertig andere taalmaatjes, allemaal vrijwilligers die buitenlanders helpen met hun Nederlands. Vanmiddag leer ik dat er twee redenen zijn om beleefd te doen en die zijn universeel. Men wil tegemoet komen aan de behoefte van de ander om 1. aardig gevonden te worden en 2. zelf de eigen acties te bepalen. 

De mate waarin aandacht wordt besteed aan het aardig gevonden worden of aan de autonomie is juist cultureel bepaald. Zo besteden we in Nederland vooral aandacht aan de autonomie behoefte. We houden er niet van een gunst aan iemand te vragen omdat de ander het vast moeilijk vindt om nee te zeggen. Hiermee beroven we diegene eigenlijk van zijn vrijheid. Als we toch iemand om een gunst moeten vragen proberen we de gunst zo klein mogelijk te laten lijken. We zijn dol op verkleinwoorden en op ‘even’ en ´eventjes’. Verder kleineren we onszelf om de ander zo gunstig mogelijk te stemmen na zijn vrijheidsberoving. Zoiets als ‘Ik ben gisteren een beetje dom geweest in het casinootje, nu zit ik wat krapjes. Wil je even een ruggetje op mijn rekeningetje storten?’

De workshopleider breidt onze kennis uit met de beleefheidsdriehoek. Nederlanders communiceren vooral lineair-actief, dat wil zeggen direct, feitelijk, zonder lichaamstaal waarbij luisteren en praten gelijk opgaan. Dit kan ik nog volgen. Maar dan wordt het ingewikkelder. In Spaanstalig Amerika wordt vooral multi-actief gecommuniceerd. Hierbij is het een en al lichaamstaal, gevoel en emotie wat de klok slaat en wordt er meer gesproken dan geluisterd! Dat kan alleen als iedereen door elkaar heen zit te toeteren, maar kan ik me ook nog iets bij voorstellen. 

Maar dan komt het. In Vietnam wordt vooral reactief gecommuniceerd met zeer subtiele lichaamstaal, alle conflicten vermijdend waarbij er meer geluisterd wordt dan gesproken! Mijn hersens gaan op slot. Dit betekent dat men in Vietnam luistert naar niets!  

Toevallig ben ik er een paar jaar geleden geweest en één ding is zeker: ze hebben geen tijd om naar niets te luisteren. Wel houden de Vietnamezen graag hun helm op bij alles wat ze doen. Ik kan me voorstellen dat het gehoor dan niet optimaal functioneert, maar dat is weer een andere kwestie.

Ik zit dus nogal verdwaasd in de workshop na deze informatie als de leider het interactieve deel aangekondigt. We moetenen eerst onszelf scoren op de driehoek en vervolgens onze taalbehoeftige. Hierna zijn de moeilijkheden tussen ons en de taalvragers duidelijk en komt de vraag hoe we dit oplossen. 

Dit is al een lastige opgave, maar dat is nog niets vergeleken bij het uitwisselen van onze scores in een klein groepje. Ik zit aan een tafel waar ik compleet genegeerd word. De anderen zitten tegen elkaar op te snoeven over hun aanpak met hun taalvragers. Ze komen niet op het idee mij naar mijn scores te vragen, laat staan dat ze informeren hoe ik daar dan mee omga en of ik nog tips voor ze heb. Ik voel me totaal niet aardig gevonden. Waarschijnlijk is dat de reden dat ik me zeer autonoom ga gedragen en dwars door hun gesprek heentetter: ‘Zo, ik heb dus twee taalvragers en die zijn compleet verschillend van elkaar.’ Razendsnel schuif ik mijn driehoek naar voren waarin ik grote pijlen en uitroeptekens heb gezet. Het lukt me om drie zinnen aan het woord te blijven voor ze het gesprek weer overnemen, koekkruimels op mijn driehoek strooien en  doen of ik niet besta. Ik weet weer waarom ik taalmaatje geworden ben en dat is niet om mensen te leren Nederlandse gewoonten over te nemen. 

Brummies

Birmingham romantisch? Is het niet hypermodern, hip-industrieel, een stad om te werken? Zeker, dat ook. Maar er is meer.

Vlak naast ons appartement ligt een ader van de oudste infrastructuur van Birmingham: een kanalennetwerk van 160 kilometer. Hoewel economisch niet meer nodig, wordt het in uitstekende conditie gehouden. De kanalen zijn zo smal dat alleen speciaal gebouwde boten (de ‘narrowboats’) er doorheen kunnen. Om de dertig, veertig meter is er een handbediende sluis, het is dus een heleboel werk om je per boot te verplaatsen. Gelukkig zijn er voetpaden langs de kanalen voor een idyllische wandeling die wordt afgewisseld door licht en donker. Soms moet je een stukje bijna op je knieën kruipen omdat de bruggen zo laag zijn. Soms kun je toch niet verder en moet je met een trappetje omhoog voor een stukje op de straat om verderop weer af te dalen naar het niveau van het water. 

We volgen de kanalen tot het City Center Park, waar we de door de bloemen half verstopte stelletjes het minnekozen liever niet willen beletten, maar als we zelf een plekje willen moeten we wel. Bij wie zullen we eens op de lip gaan zitten? B wijst anderen aan dan G en die wijst weer anderen aan dan ik. We lopen aarzelend rond van bank naar bank en verstoren zo de vrijerijen van álle Brummies.

Via China Town met aanprijzingen van de nieuwste hit onder de thee (groene thee met een topping van gesmolten zouten kaas), lopen we door naar de Library van Birmingham dat meer te bieden heeft dan het uitlenen van boeken. Op de zevende verdieping is een secret garden waar heftig naar kruiden ruikt. Er zijn wel twintig knuffelbanken, hier met uitzicht over de hele stad.  Op de negende verdieping vinden we een memorial kamer met vroege uitgaven van Shakespeare. We kunnen koffie drinken en spelletjes doen, met de roltrap heen en weer of een stukje in een glazen lift. 

Voor de bibliotheek staat een manshoog beeld van twee zwangere vrouwen met drie peuters. Ze staan symbool voor het gezin dat van de Brummies niet traditioneel hoeft te zijn qua samenstelling. Voor het beeld is een plein waar hoge waterstralen recht uit de grond komen. Waar en wanneer kun je niet voorspellen. Ouders trekken hun kinderen zoveel mogelijk kleren uit en laten ze over het plein rennen. Een heerlijk spel, het water blijft ze verrassen en ze worden zeiknat. Precies achter dit waterspeelplein werken zo’n zestig mannen in oranje pakken aan de fundering van weer een nieuw gebouw. Een wonderlijk gezicht, de grond waar ze werken ligt dieper dan het fonteinplein waardoor de oranje werkers kleiner lijken dan de kinderen. 

Op het Victoriaplein kijkt de kuise koningin vanaf haar hoge sokkel net langs  ‘The Floozie in the Jacuzzi’, het vrouwelijke naakt in de fontein met de ondeugende ogen. Er zijn maar liefst twee demonstraties gaande, een grote over het recente onrecht in Kashmir en een kleine over de slechte behandeling van de daklozen. De aanvoerders van beide groepen zetten een soort chants in door de microfoon die snel worden overgenomen en samen tot een ritmisch geheel leiden. We lopen een stukje met de Kashmirs mee voor we afbuigen naar links voor een bezoek aan de Back to Backs. 

Eerst passeren we nog een pleintje waar de bekende gestreepte ligstoelen netjes in rijen van tien zijn opgesteld voor een groot scherm. In de stoelen liggen kinderen met hun moeders en moeders. Op het scherm beleven kleine poppetjes een angstig avontuur, maar wij lopen door naar het kleine stukje Inge Street met rijtjeshuizen rond een hofje dat in de oorspronkelijke staat wordt gehouden. Je kunt er zien hoe arbeiders leefden in de 19e eeuw. In het laatste huisje is een winkeltje waar je snoepjes kunt kopen die al honderden jaren zo worden gemaakt. De vrouw achter de toonbank ziet eruit als Elphaba van Wicked. Voor ons is ze bereid de regel (‘één snoepsoort per zakje’) aan haar laars te lappen als we het aan niemand doorvertellen.

‘s Avonds in Brindley Place voel ik opluchting. Hier zijn genoeg gezellige pubs, restaurantjes, night clubs met live muziek om het maandenlang leuk te hebben voor een negentienjarige. B is stomverbaasd als ik het vertel. Hoezo had ik getwijfeld dat ze het wel leuk gaat hebben? Leuk hebben heeft niets met de gezellige pubs te maken. Leuk hebben heeft te maken met de mensen om je heen en leuke mensen vind je overal. Dan bedenk ik me nog iets anders. Wie zou de ervaring willen missen de Brexit van binnenuit mee te maken, verkerend in een academische omgeving terwijl je world politics studeert? 

Morgen nog het veelgeprezen Birmingham museum en de botanische tuinen, maar dat zijn toetjes, niet echt meer nodig. Ik ben gerustgesteld.

Lady Barber

‘Have you contacted the police?’, vragen we aan de man naast ons. We zijn niet de enigen die naar de grote vlammen kijken, sommigen staan op straat, anderen blijven in hun auto zitten. Het is erg stil, waar blijven de sirenes? Een jongen en zijn vriendin willen nog dichterbij, ze passeren de twee wachtende auto’s voor ons. Op hetzelfde moment steekt er uit elk van de auto’s een hand met een halt-gebaar. Iemand brult: ‘This is being filmed!’


We zijn nu een halve dag in de, op een na, grootste stad in het UK. We beginnen ons driedaagse bezoek op de campus van de Universiteit van Birmingham. Dit is het echte doel van onze vakantie: kijken waar dochter B zich een semester lang gaat verrijken met kennis, met nieuwe ervaringen, met een tijdje los zijn van pa en moe en van andere vertrouwde elementen in haar leven.


Ik dacht geen speciale verwachtingen van de campus te hebben, maar dat is een illusie, want ik ben aangenaam verrast. De gebouwen op het groene terrein zijn in verschillende periodes neergezet, toch vormt het een passend geheel. Het centrum van de campus is gemakkelijk te vinden, want waar je ook bent, torenklok ‘Old Joe’ is altijd te zien.

Het nieuwe collegejaar is nog niet begonnen, het is nog rustig. Zo kunnen we alle doorkijkjes naar de grasveldjes en binnentuinen goed bekijken. Twee Aziatische meisjes in zwarte graduation cap en gown poseren voor een fotoshoot. We komen ze telkens weer tegen, in nieuwe poses en op andere plekken.

We lopen de music hall in en bekijken de concertzaal en de programmering van concerten voor het komend semester. Muziek is een van de redenen waarom B enthousiast is over studeren in deze stad.
Nog één gebouw te bekijken: het Barber Institute of Fine Arts, iemand bij de ingang wenkt ons. Nou vooruit, we willen best nog even bekijken wat de studenten hier bij elkaar knutselen. Blijkt het institute te beschikken over topstukken. Frans Hals, Jan Steen, van Gogh, maar ook werken van Matisse, Monet, Manet, Degas, Rodin. Lady Barber heeft haar erfenis in de jaren dertig gebruikt voor het verzamelen van deze werken ter inspiratie voor de studenten. 

Ons bezoek staat een beetje onder druk door Souhail die ons een appartement verhuurt en me bestookt met appjes of we snel willen komen. Het contact met haar verloopt niet echt soepel, eerst wil ze dat we zo laat mogelijk komen omdat ze moet werken en nu is ze er zelf opeens eerder en jaagt ze ons op.

We rijden toch eerst even langs het huis waar B vanaf zondag gaat wonen. We kunnen er nog niet in, maar het is leuk alvast de buurt te zien. Als ze geen tijd heeft om te koken kan ze naar de Hurry for Curry en het is vast slim om goede vrienden te worden met de scrupuleuze fietsenmaker op de hoek. Hij heeft een bordje dat hij geen gestolen spullen koopt.

B’s kamer kijkt uit op een Baptistenkerk waar iedereen welkom is. Om de hoek zit een moskee. Mocht ze nog spirituele belangstelling ontwikkelen, in deze buurt is er keuze genoeg.

Souhail blijkt geen vrouw, maar een man te zijn. Mijn conclusie is dat hij de verhuur van het appartement er niet bij kan hebben in zijn leven. Het ziet eruit alsof hij in grote haast de schoonmaak heeft gedaan, het onderlaken hangt nog nat aan de deur en er is maar één handdoek. Hij gaat er niks voor ons bij regelen want daar heeft hij geen tijd voor en als dat betekent dat we zijn gebladderde appartement niet willen, kunnen we er nog vanaf, dat kan hem niets schelen. Dat laatste is bluf, maar zijn machtsinschatting dat wij geen zin meer hebben om iets anders te zoeken, is juist. We accepteren de situatie, ik krijg een slap handje en Souhail gaat er als een haas vandoor.


Lang geleden is door iemand een poging gedaan het hier gezellig te maken met rode bloemengordijnen en nepeiken bordjes met teksten als ‘Home is where the heart is’, ik denk van Souhail’s verloren liefde. De vorige huurders zijn in grote haast vertrokken, ze zijn hun fles Bacardi in de ijskast vergeten. We zetten onze fles cola er maar naast, wie weet wordt dat nog wat.


Birmingham is, net als Rotterdam, grotendeels platgebombardeerd in de oorlog, er zijn niet zo heel veel oude wijken die het hebben overleefd. Daarom is de serie Peaky Blinders, die gebaseerd is op een bestaande jaren-twintig-bende uit deze stad, voornamelijk opgenomen in Liverpool. Birmingham is een heel eind met het ophippen van oude industriewijken, ze hebben duidelijk uitstekende architecten in dienst genomen om ze daarbij te helpen.

Vanavond bekijken we het spectaculaire Grand Central. Aan de buitenkant de organische vormen in spiegels die naar beneden lijken te druipen, aan de binnenkant het plafond met de groene alien-ogen. Het is verbonden met het moderne winkelcentrum ‘Bull Ring’ waar we nog tot laat handdoeken kunnen kopen.


De bediening in het Japanse restaurant is professioneel en erop gericht het ons naar de zin te maken. We denken weer aan Sohail en beramen alvast zure reviews. Alsof hij het voelt stuurt hij nog een huilie-huilie app met ´sorry’ zonder verder een enkele handreiking. Als we eraan denken schrijven we misschien iets aardigs over de wifi, want eerlijk is eerlijk, die hebben we nergens zo goed gehad.

Rechts, links

‘Rechts houden, rechts houden!´, schreeuwen mijn vader en de moeder van vriendinnetje J. Het is zeven uur ‘s ochtends, meer dan vijftig jaar geleden, ik trap me warm op weg naar zwemles en doe mijn uiterste best mijn stuur recht te houden. Een hele tour nog op mijn oranje vouwfiets, ik krijg de volwassenen dan ook niet tevreden.

‘Links houden, links houden!’, schreeuwen B en G. O ja! Mijn verkoudheid is nog niet voorbij, ik kan mooi Lemsip de schuld geven dat ik in de war raak van de regels in het UK. Op de roltrappen en op de stoep moeten we juist aan de rechterkant blijven, op de weg weer links. Charmant, maar onpraktisch. 

Fietsverhuurder Rocky van City Bike Hire raadt onze nationaliteit als we de helmen afslaan. Hij waarschuwt ons vervolgens voor de remmen die veel strakker zijn afgesteld dan wat we in eigen land gewend zijn. Aardige vent, Rocky, hij roept ons tips na over hoe we kunnen afdingen in deze keurige stad. Geen overbodige luxe, want je moet voor bijna alle bezoekjes flink in de buidel tasten. Zelfs om de kerktoren van de St. Mary’s te beklimmen moet je vijf pond neerleggen. Ik heb daar iets tegen, betalen voor iets dat me een flinke fysieke inspanning kost.

Op de fiets kunnen we makkelijk de colleges, kerken en zandkastelen van Cambridge bekijken zonder moe te worden. Bovendien is er tijd voor een picknick aan de Cam met koekjes van Ben, een nieuwe hype. Gedienstige vaders van alle nationaliteiten huren een grote roeiboot, laden hun vrouw en kinderen erin en punteren de rivier af. Dit gaat al honderden jaren zo en als de Cam blijft bestaan, zal dit vertier er ook zijn.

Later op de dag klinken we de fietsen vast aan het hoofdgebouw van King’s College en drinken we cappuccino op het plein met de markt. Twee jongens met vriendelijke gezichten proberen wat geld te verdienen. De ene tolt rond in een brede hoepel, waarschijnlijk heeft hij zich gek geoefend, maar het ziet er verbazend gemakkelijk uit. De ander doet goocheltrucs die steeds net mislukken. Hij blijft het maar proberen, ik word er ongemakkelijk van. Misschien is dat wel de truc, hij haalt duidelijk het meeste geld op.

In de winkel van de oudste uitgeverij ter wereld ‘Cambridge University Press’ ligt  ‘A Concise History of the Netherlands’ van James Kennedy in de etalage. Er is een zomeraanbieding, je kunt het kopen met 30% korting. Het doet me goed als ik zie dat de aanbieding geldt voor álle Concise Histories.

De universiteit van Cambridge is ontstaan door onvrede van de studenten in Oxford over riots ´between town and gown’. Niet zo gek, want de studenten konden zich allerlei vrijheden veroorloven en misdaden begaan omdat de Kerk ze toch steeds de hand boven het hoofd hield. In 1209 is de situatie flink uit de hand gelopen toen een clerk (zeg maar werkstudent) een vrouw had vermoord en op de vlucht was geslagen. In opdracht van King John, die ruzie had met de kerk, zijn een paar andere, onschuldige clerks zonder enige vorm van proces opgehangen. Naar verluidt hebben drieduizend studenten en professoren in Cambridge een nieuw onderkomen gezocht, hopend op een meer ingetogen en minder emotionele sfeer in dat toen heel kleine dorpje. IJdele hoop, want al snel waren er ook in Cambridge problemen, maar vandaag de dag komt de stad wel onverstoorbaar over. We merken bijvoorbeeld niets van de commotie over het prorogue-voorstel van Boris. Waren we nog in Londen geweest dan waren we waarschijnlijk meegesleurd in de optochten of waren we minstens weer op een teaparty uitgenodigd om te discussiëren.  

We komen thuis met boodschappen en rekenen op een rustige avond sport kijken. Tegenover ons appartement  is een veld waar een onbegrijpelijk spel wordt gespeeld, misschien is het zojuist spontaan ontstaan, misschien wordt het al eeuwenlang serieus beoefend in deze contreien. Er komen een hoop oranje pylonen en frisbees aan te pas, de spelers moet heel hard hollen en o wee als ze vergeten links te houden, dan moeten ze aan de kant en mogen ze geruime tijd niet meer meedoen. Pedagogisch lijkt me dit volslagen onverantwoord. 

Lemsip

De Britten hebben fantastische drugs. Ze verkopen pillen met meervoudige werking voor als je erg verkouden bent. Het helpt én tegen hoofdpijn met lichaamspijn én tegen geblokkeerde neus én tegen rauwe keel. De  strips zijn overzichtelijk, je slikt per etmaal één lijntje dat bestaat uit drie pillen voor overdag en een voor de nacht. Ik laad mijn boodschappenmandje vol met de tweekleurige capsules van Lemsip en neem nog vóór het betalen mijn eerste in. Nu ben ik nog steeds verkouden, maar ook geïnspireerd voor het leven. Ik heb zin om kinderboeken te schrijven en liedjes en ik denk dat de aarde een pannenkoek is.

We dienen om elf uur onze studio in Hampstead te verlaten. Onze plannen om nog een keer naar de stad te reizen voor Tate Galeries laten we varen, ik ga de Oyster kaarten refunden bij het metrostation en keer terug met een halve kilo munten. We loodsen de auto uit de geheime parkeerplek en rijden naar onze eindbestemming voor vandaag: Cambridge. 

‘Visit Therfield Heath for magnificent views’, ik weet niet meer waar ik het gelezen had, maar ik stel voor bij Royton de snelweg te verlaten. In het Heath Café Restaurant kunnen we een eenvoudige lunch bekomen. 

Een Engelser setting kan ik niet bedenken. Twee blonde, zorgvuldig gestylede vrouwen aan de gin tonic, aan het gelach te horen bespreken ze hun liefdesleven. Drie ladies op leeftijd met witte hoeden op aan de thee met scones. Vóór het terras probeert een moeder een halve klas basisschoolkinderen meegebrachte boterhammen te laten eten. Dit alles aan de voet van groene heuvels waar gecricket, gerugbyd en gegolfd kan worden. Gelukkig was het buiten toch nog net iets koeler dan binnen. Ik wandel zelfs naar boven om te kijken of het nou wel waar is van de magnificent views. 

Het duurt even voor we ons nieuwe onderkomen vinden, maar dan hebben we ook wat. De Indiase eigenaar legt net persoonlijk de laatste hand aan de schoonmaak. Zwetend en onverstaanbaar legt hij ons systematisch uit hoe alles werkt. We doen een paar pogingen hem te volgen en vertrouwen er dan maar op dat we er zelf wel achterkomen. Het appartement heeft diepe vensterbanken, heerlijk vind ik dat. Ik doe onmiddellijk mijn koffer open en begin mijn spullen uit te stallen, ik voel me prettig als ik overzicht heb en alles in één klap zie liggen. Ik hoor levensgezel G zuchten, hij is van de stapeltjes, voor hem betekent orde geen zooi in het zicht.  

Centrum Cambridge, één groot decor voor een trage film met lange dialogen. Kerken, universiteitsgebouwen, bibliotheken, kloosters, alles eeuwenoud en goed geconserveerd. We zijn gelukkig nog steeds niet verzadigd, we blijven blij verrast na het omslaan van elke hoek. De Engelsen zelf vinden dit doodgewoon, ze zetten niet eens spots op hun gebouwen, ‘s avonds is het hier zo donker als in de middeleeuwen. Het publiek is anders dan in Londen en Brighton, minder lgbtq, de mix van jong en oud is meer gelijkmatig, het tempo ligt lager. Op de grond naast King’s College Chapel is een zwerfster alvast in haar slaapzak gekropen. Haar grijze haren zijn netjes gekamd, ze is halverwege ‘Theory and Reality’.

De wereld is een pannenkoek en ‘s nachts droom ik van een stapel vensterbanken. Er zitten deurtjes voor.