‘Wat doet die mevrouw?’ fluistert het kleine meisje. Ze reist met haar moeder in de randstadrail naar Rotterdam en zit tegenover mij. Haar moeder aarzelt. ‘Ik brei een lapje.’ zeg ik, ‘Dit wordt een dekentje voor mijn eerste kleinkind.’ Het kleine meisje kijkt me aan en houdt haar hoofd schuin. Ik zie aan haar ogen dat ze denkt dat ik haar afscheep met een flauwekul verhaal.  ‘Gefeliciteerd!’ zegt de moeder die ook haar blik op mijn handen houdt die net beginnen aan een lijntje averecht.

‘Mijn zwangere dochter houdt van home-made kadootjes.’ leg ik uit.

‘Over dit kado zal geen misverstand bestaan, mevrouw.’ zegt de moeder.

Ze heeft gelijk. We breien het dekentje met zijn drieën, mijn twee niet zwangere dochters en ik. Een van hen is brei-deskundige, zij kan zelfs sokken breien met eekhoorntjes. De ander is jong en handig. Ik daarentegen zie kans op ongeplande momenten ribbeltjes en ajourgaatjes in mijn lapjes te breien. De home-made look komt helemaal voor mekaar.

‘Gaat u oppassen?’ vraagt de moeder van het kleine meisje. Nu haalt ze haar blik van mijn handen en bekijkt de rest van mij grondig, alsof ze een inschatting maakt van mijn oppaskwaliteiten. Ik ga rechtop zitten en maak lichte wiegbewegingen, ondertussen neurie ik een bekend slaapliedje. Dat is een nieuwe tic, de laatste tijd denk ik steeds dat ik examen moet doen. Zeker als het over mijn naderend omaschap gaat.  ‘Ik krijg een vaste dag per week en daarnaast nog strippenkaartdagen.’ zeg ik.

‘Zwaar, hoor, oppassen. En er zijn zulke goede kinderopvangcentra tegenwoordig.’ zegt de moeder. 

Ja, ja, ik ben op de hoogte van de concurrentie. Ik houd ze nauwlettend in de gaten. Ik denk nog na over mijn unique selling points, ben druk bezig met de ontwikkeling van mijn oma-identiteit. Ik kan zelf putten uit herinneringen aan twee oma’s, elk met een duidelijke identiteit. De ene lapte alle verwaarloosde, in de steek gelaten en kapotte dieren op in Bilthoven en omstreken. Dat was bekend en de aanvoer van zielige gevallen hield dan ook nooit op. Alle beesten die na de oplap weer voor zichzelf konden zorgen, werden weer uitgezet in het bos. De rest leefde het leven uit in mijn oma’s huis, tuin of schuur. 

Ik kwam er graag en nam het ponyrijden voor lief.  Mijn oma’s pony had een lieve naam, Jochie, wat absoluut niet in overeenstemming was met zijn karakter. Paarden zijn gevoelige beesten, ze reageren sterk op de kwaliteit van het contact. Ik was bang voor Jochie, ons contact was erbarmelijk. Zodra ik bevend zitting nam op zijn zadel nam hij de boel volledig over, ik had echt helemaal niets in te brengen. Jochie stoof het hek uit, galoppeerde de dichtstbijzijnde heuvel op en remde krachtig op de top. Ik werd steevast gelanceerd. ‘1-0 voor Jochie!’ hoorde ik hem duidelijk briesen. Als ik erg hard gevallen was mocht ik meteen naar mijn oma’s huis, soms moest het wel 8-0 worden. Maar dan kreeg ik lekkere taartjes en vertelde mijn oma grappige verhalen.

Mijn andere oma kon biljarten. Ze was heel klein, maar wilde graag een grote oma worden met putjes in haar bovenarm. Dat wilde trouwens niet erg lukken, het duurde meestal wel even voor ik haar gevonden had achter mijn reusachtige opa. 

Hoe wil ik zelf herinnerd worden, later, door mijn eigen kleinkind? Bijnamen waar ik geen bezwaar tegen zou hebben: oma knutsel, oma zingen, oma boekjes, oma lekkere hapjes, oma lachen. Mijn kleinkind verzint vast iets anders, iets waarvan ik me nog niet bewust ben. Tot die tijd werk ik aan mijn conditie en zet ik wandelroutes uit. Routes met boompjes en beestjes, niet te kort en niet te lang, genoeg zon, genoeg schaduw. Ik doe er goed aan tijdig met dit soort zaken te beginnen. Voorbeeldje. Zet ik gisteren een route uit in park Suytwende, komt er een jonge, hondsdolle mopskeffer op me af gerend. Hij springt op en hangt opeens met zijn kaken aan mijn hand. Het is waarschijnlijk bedoeld als jonge-honden-uitnodiging om te komen spelen, maar ik schrok me echt helemaal dood en bevroor.  Die pech heb ik, dat ik van de drie schrikreacties nou net het bevriezen als aangeboren voorkeur heb. Ik heb nog maar zes weken om daarvan af te komen. Want dat ik vier kinderen door hun jeugd heb weten te loodsen terwijl ik bij elke spannende situatie in een zoutpilaar veranderde, wil niet zeggen dat ik daarmee wegkom als oma. Ik voel een verantwoordelijkheid voor mijn kleinkind die veel verder gaat dan ooit bij mijn eigen kinderen. 

‘Logisch.’ zegt de moeder in de randstadrail, ‘het is niet je eigen kind.’

Klopt, het is niet mijn eigen kind. Ik mag nergens op rekenen, ik moet mijn oma-rol verdienen, ik moet goed mijn best doen. Het is het kind van mijn kind en mijn schoonkind. Het kind waar ik het geslacht nog niet van weet, maar wel vaak over droom. Het kind waar ik een ongekende liefde voor voel.

Gepubliceerd door ursulajager

Ursula Jager heeft wiskunde gestudeerd, 33 jaar als manager gewerkt bij veel verschillende bedrijven, heeft 4 kinderen, is getrouwd met beeldhouwer Guido Sprenkels. Ursula schrijft en zingt.

Doe mee met de conversatie

16 reacties

  1. Aaaah wat een mooi verhaal weer Ursu! Traantjes prikken in mijn ogen! Ik weet nog zo goed dat jij beviel en nu ben je bijna oma! Nee, geen verdienste maar wel te gek!❤️❤️❤️

  2. Mooi verhaal, ik zie het voor me, jij daar in die trein. Gefeliciteerd met dit heuglijke nieuws. En oma zijn is geweldig en zeker met een oppasdag.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *